Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maag kon streelen, was nog niets te zien; gelukkig had mijn vrouw een nog al goeden voorraad koekjes meegebracht en dus werd maar een begin gemaakt met de „gezelligheid". Eerst werd gezamenlijk een gezangvers gezongen, toen gaven de kinderen wat te hooren; mooi klonk niet wat gezang moest heeten, maar een genot was het de snuitjes van de kleine zangers en zangeressen te bestudeeren: ze gingen er in op; het zijn leuke, pintere kinderen. Na hun — wat we nu maar zullen noemen — gezang, gingen de koekjes rond en daarna sprak Ds. Steller een kort woord om de gemeente geluk te wenschen met haar dubbele blijdschap. Daarna sprak een inlandsch leeraar van een andere plaats en onderwijl- kwam men met thee en wat dies meer zij; het was echter niet meer twee, maar reeds vier uur des namiddags, 't Begon nu eerst gezellig te worden; velen hadden een woordje te zeggen; kan anders zoo'n inlandsche redenaar ook wel eens niet het slot vinden, dat was nu niet het geval; met gepaste» kortheid zei ieder, wat hij te zeggen had. Men had nog niet veel lust om naar huis te gaan, maar voor hen, die van een andere plaats waren gekomen, was het daartoe toch tijd en dus sloten we de bijeenkomst met het zingen van den avondzang. Hadden wij om 3 uur spijt die ongezellige „gezellige bijeenkomst" te hebben georganiseerd; later en na afloop niet meer, toen het heusch een gezellige „gezellige bijeenkomst" geworden was en ieder voldaan huiswaarts ging.

Mij werd later door een mijner inlandsche leeraars gevraagd, hoe ik er toch toegekomen was om te beweren, dat de Malalajangers de vreemdelingen niet konden ontvangen, want ze waren een en al hartelijkheid geweest. Xu, ik vond het zoo aangenamer dan omgekeerd. Verder beweerde deze bezadigde voorganger: „voor z6 jaar was ik ook in Malalajang, maar het is in die jaren zeer vooruitgegaan".

Dat blijven we hopen, lezer en lezeres, dat het in Malalajang steeds mag vooruitgaan, vooral op geestelijk gebied; voorwaar, het is nog geen gemeente zonder vlek of rimpel, maar ik geloof, dat de hoop niet ongegrond is, dat niet alleen Malalajang, doch geheel Ban tik meer en meer zal afstand doen van wat het nog aan Heidendom aankleeft en dat dan minder dan nu Christenen naar naam slechts en meer dan nu Christenen naar het hart zullen gevonden worden. Onze hoop worde niet beschaamd, ons geduld verlate ons niet!

Sluiten