Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegen, het zedelijk- en godsdienstig leven niet op een hooger peil wordt gebracht, de geestelijke nooden niet worden gelenigd. Neen, op dit gebied geldt nog immer: het isnog nacht. In de donkerheid van het Mongondowsche heidendom, vermengd met islamisme, drong nog geen enkele straal van hooger licht door; de boeien, waarmede ook de Mongondower aan de zonde is gekluisterd, zijn nog geenszins verbroken. Men behoeft niet lang onder dit volk te verkeeren om te gevoelen „welk een berg van ongerechtigheid en onwaarheid het Evangelie van Gods zondaarsliefde heeft te slechten" in Bolaang-Mongondow.

Vele hoofden zouden ongetwijfeld zeer verontwaardigd zijn, zoo zij hoorden in geestelijk opzicht nog vrijwel gelijk gesteld te worden met de Mongondowers van vroeger dagen r en dadelijk uitroepen: „Wat, wij gelijk aan onze onbeschaafde voorvaderen, die domme heidenen waren! en wij hebben Europeesche kleeding, volgen graag Hollandsche gewoonten na, de meesten van ons hebben korter of langer eene school in de Minahassa bezocht, twee onzer zelfs de hoofdenschool te Tondano, en wij verstaan reeds de kunst van bier- en wijndrinken, zijn allesbehalve afkeerig van een. glaasje jenever, en stelt gij ons dan nog niet eens boven onze voorouders?" Nu, als het op 't uiterlijk aankomt, geef ik gaarne toe, dat de hoofden hier al heel wat schijnen te zijn, en als men bijv. den tegenwoordigen radja in officieel costuum ziet, krijgt men zeer zeker een heel anderen indruk van een Mongondow's vorst, dan bij het lezen van Med. XX pag. 166 en v.v., waar deze ons wordt voortgesteld als een allerongemanierdst individu, maar of het verschil wel zoo diep gaat, ben ik zoo vrij te betwijfelen. Het vernisje beschaving, door sommige hoofden opgedaan in de Minahassa, is nog zoo heel dun en aan alle kanten komt hun eigenlijke natuur er zoo verraderlijk doorheen gluren. Hetgeen iemand maakt tot een waarlijk beschaafd mensch, is nog zoo ver van hen. Voorbeelden van een reinen levenswandel — om niet meer te noemen — zijn de zoogenaamde adellijke nog allesbehalve.

Door 't bovenstaande is volstrekt niet bedoeld 't Mongondowsche volk en in 't bijzonder de hoofden zoo ongunstig mogelijk voor te stellen, maar wel. opdat men nog weer eens hoore, nog meer overtuigd worde van de noodzakelijkheid dit volk het Evangelie te brengen. Ook denke men niet dat deze dingen als een verwijt bedoeld zijn. Verre van dat. Evenmin als van een kwaden boom goede vruchten worden gelezen, kan worden verwacht bij de Mongondowers

Sluiten