Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Sumatra zoo dichtbij; en ook leert men wel voorzichtig zijn met een volk, dat al den indruk maakt van: „Christen worden — wat geeft het!" Zouden er Hier in Langkat ook geen perkara's achter zitten, of hebben de r.ienschen geen andere belangen op het oog dan alleen de geestelijke? De reis er heen, persoonlijke kennismaking met de bewoners, zou op dit alles antwoord kunnen geven. Laten wij echter een geregeld verslag doen van de reis en daarna spreken over de resultaten.

Den iSen September 's morgens heel vroeg vertrokken wij van Sibolangit. Eigenlijk 'valt van dien eersten dag weinig te zeggen, want het was enkel reizen in karretjes en in den trein tot Koeala, een eind boven Bindjê; door een gebied, waarin wij geen Bataksche dorpen dorsten te veronderstellen, hoewel ze er wel veel zijn. Maar je miste de Batakkers zelf; alles was Maleisch, in kleeding, voorkomen en ook in spraak. Een eentonig landschap was het: laag bosch, groote alang-alangvelden en stukken zwarte aarde, pas omgewerkt voor de aanstaande tabaksplanting, afwisselend in bijna regelmatige volgorde. Een erg verheven indruk maakt het niet. Wel voel je iets van de werkkracht van den planter en zijn staf, die in staat is zulke onafzienbare velden te bewerken; en dat elk jaar opnieuw. Veel geld wordt er verdiend — toch niet op een gemakkelijke manier; er moet veel en zwaar gewerkt worden en dat alles in een zon, die haar grootste kracht ontwikkelt juist in de vlakten.

In den middag kwamen wij op het station Koeala aan, waar wij onze gidsen zouden ontmoeten. Toen wij op het perron stonden met de jongens en de barang, keken wij eens rond naar Batakkers; die zagen wij niet. Wel aan het andere eind van het perron een groepje menschen, die met elkaar druk redeneerden en uitkeken, alsof zij iemand wachtende waren. Zouden dat soms — neen, het waren op en top Maleiers. Toch even vragen, natuurlijk in het Maleisch, waarin ook antwoord, gegeven werd. Ja, dat waren ze, de Bataksche hoofden van Koeala-Moerak, Mbatjang en nog een paar andere dorpen daar uit de buurt. Al heel weinig deden ze Bataksch; zelfs miste je de prettig-aandoende vrijmoedigheid van een Batakker, die je zoo ineens kan inpalmen, alsof je al heel lang met den vreemden man bevriend bent. Toen bleek, wie wij voor hadden, verzochten wij de menschen hun eigen taal te gebruiken. En dat ging eerst half, later beter; 's avonds was alle vreemdigheid weg; je voelde toen terugkomen de vertrouwelijkheid, iets intiems kwam er in de gesprekken.

Sluiten