Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het landschap Mori ligt eene streek, met welker bewoners de Possoërs sedert jaren in voortdurenden oorlog waren, tot dat de komst van het Gouvernement aan dien toestand een einde maakte. Als oorzaak van dezen voortdurenden oorlog vertelt men, dat eens een hoofdman van de Possoërs door de inwoners van Kinadoe, een dorp uit genoemde streek, gevangen genomen was, terwijl hij daar zijne waren te koop kwam aanbieden. Men had den man toen naar de smidse gebracht, en hem in den oven verbrand. Zoo lang hij nog kon spreken, had de Possosche hoofdman zijne vijanden vervloekt. Hij had een eed gedaan dat zoolang de hanen zouden kraaien, en de rijstblokken geen wortels zouden hebben geschoten, zijne nakomelingen geen vrede zouden hebben met de nakomelingen van zijne belagers.

Op grond van dezen eed gingen ieder jaar een aantal Possoërs een sneltocht ondernemen naar Kinadoe.

Dit was een heilige wet geworden voor deze menschen. Wanneer zij aan deze wet niet gehoorzaamden, zou de vloek van hunnen voorvader henzelven treffen. Deze voortdurende oorlog was dikwijls eene uitkomst voor de barbaarsche zeden van den ouden tijd. Want wanneer men voor den dood van een voornaam persoon een menschenoffer noodig had, en men kon daartoe geen slaaf krijgen, werd een tocht naar Kinadoe georganiseerd om aan de noodige menschenhoofden te komen.

De jonge mannen van den tegenwoordigen tijd hebben die tochten niet meer meegemaakt. Maar 's avonds om den haard hebben zij genoten van de verhalen, die ouderen deden van hetgeen zij op zulke reizen hadden ondervonden. Die verhalen wekken eenzelfde gevoel bij hen op als bij den Hollandschen jongen, die in zijne verbeelding verplaatst wordt naar den tijd van Brinio en de oude Batavieren. Het land te zien, waar hunne vaders en grootvaders hunne „lauweren" hadden behaald, daar verlangden velen naar.

Wij zijn dan ook in dat land geweest Er is daar een groot meer, het Matano-meer, ten N.W. waarvan de Kinadoeërs wonen. Wat eene onvruchtbare streek is het daar! Men was er juist aan het oogsten. De rijstvelden liggen tegen de steile hellingen der bergen op; de komkommers, die tusschen de rijst groeien, moeten worden vastgebonden, anders zouden de vruchten door hunne zwaarte den stengel doen breken om daarna in het meer te rollen. De hoeveelheid rijst, die men krijgt, is zeer gering, en de schuren waren dan ook niet grooter dan flinke pakkisten.

Sluiten