Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet me pijn; daarom zond ik mijn zoon, die je zeker wel gezegd zal hebben, wat ik wil!"

Wij spraken nog over den volgenden dag, welke weg de kortste was, om ons naar Bohorok te brengen. De oude pengoeloe wist den weg en zou ons brengen. Wel vreemd, dat hij nu ineens mee kon naar Bohorok, dien morgen kon hij niet te Koeala-Moerak komen. Enfin! Misschien heeft hij een rheumatischen aanval gehad en is de pijn weer verdwenen. Goed, hij zou ons brengen; maar hij ried ons aan vroeg op pad te gaan. Er werd nog veel over alles gepraat. Het is een arm dorp, maar als je hoort, hoe moeilijk de menschen daar leven, dan verwondert het je niets. Wij rieden ze aan klappers te planten.

„Ja, ik heb daar zes klappers staan", vertelde iemand, „en op een morgen zie ik, dat ze zonder kroon zijn, de beren waren dien nacht op bezoek geweest!"

„Maak dan groote sawah's!"

„Och, mijnheer, als wij een sawah hebben, dan zijn wij blij, als wij de helft er van oogsten, want herten nemen de rest. Onze pisang wordt vernield door olifanten, neushoorns en wilde varkens!"

„Dan zijn hier zeker ook wel tijgers?"

„Och, zooveel!"

Neen, het leven is niet gemakkelijk, als er dagelijks strijd te voeren is tegen zulke dieren. Wij spraken nog over verweermiddelen. Vallen en strikken kunnen zij wel zetten en dat gebeurt ook wel, maar het middel zou hier zijn : een geweer. En dat wil juist de Regeering niet. Alle geweren zijn hier ingenomen. Deze hoek is indertijd onveilig gemaakt door de Alassers of Gajo's, Orang Selimoen genoemd. Ook nu schenen zij zich niet erg veilig te gevoelen, want ons werd verzocht tegen den avond het raampje van het huis te sluiten. „Je kon nooit weten" — beweerde de pengoeloe — ,,er was veel kwaad volk tegen de bergen aan".

Den volgenden morgen heel vroeg weer op reis. De gidsen vertelden ons, dat de weg schoon was, en heel gemakkelijk. Het was koud, geen zon nog te zien. Het eerste half uur ging de weg door een oude rivierbedding. Ja, wat moeten de rivieren vroeger toch heel wat grooter geweest zijn dan tegenwoordig; er zijn oude menschen, die zich nog wel kunnen herinneren, dat er veel meer water in de rivieren was; zelfs is het verschil in waterstand van voor tien jaar en nu heel goed te merken. Geweldige natuurkrachten hebben mee moeten werken, het land zoo te maken, als het nu is. Van een schoonen weg zien wij ondertusschen nog niets; de alang-alang is hoog opgeschoten, ongeveer 2—2^ meter,

Sluiten