Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zulke gaven toegerust, een onweerstaanbaren drang beeft om aan zijn aangeboren ijver om te jagen te voldoen.

Het was voorjaar geworden en Musi wist, dat de dag voor de deur stond, waarop de bever voor het eerst uit zijn winterschuilplaats zou te voorschijn komen. Dan kon hij zijn slag slaan, want nooit is de bever beter onder schot te krijgen als wanneer hij weer voor het eerst de stralen van het zonlicht op zijn huid kan doen vallen. Wie die gelegenheid voorbij laat gaan, heeft de schoonste kans verloren en zich een aanmerkelijke schade door eigen zorgeloosheid op den hals gehaald, want de beverhuid wordt almede het duurst betaald, omdat zij voor een zeer kostbaar bont geldt en er voortreffelijke winterkleeren van gemaakt worden. De gewone zorgeloosheid, allen Indianen eigen, om nooit voor den dag van morgen te zorgen, had ook Musi ditmaal doen verzuimen zich tijdig te voorzien van kruid en lood. Nog slechts weinige dagen en de bever zou beginnen te bouwen, daarom trok Musi des morgens vroeg beladen met een dertigtal huiden naar hort Hudson, waar hij gewoon was om tegen deze vellen zijn beuoodigden voorraad jachtbehoeften in te ruilen. Doch hoe anders liep het dan hij zich voorgesteld had. Tot ziju groote teleurstelling vond hij den koopman niet thuis. Daar stond hij nu voor de woning van den koopman, niemand was er die hem gehoor verleende; eindelijk besloot hij naar het magazijn

te gaan, doch ook dit was gesloten, zoodat de koopman voor langen tijd op reis scheen. Wat moest bij nu beginnen? Hij had niets te eten en zoolang hij geen kruid om mee te schieten bezat, konde hij zich ook van geen voedsel voorzien. Goede raad was duur. Daar ziet hij plotseling een gebroken ruit in een der ramen van het magazijn. Spoedig plaatst hij er zich voor en gluurt naar binnen; tot zijn blijdschap zag hij tans alles wat hij noodig had voorradig liggen; hij behoeft slechts een ruk te doen om het raam er uit te lichten, en met een sprong zou hij te midden van alle voor hem zoo brood noodige en daarom ook zoo dubbel begeerlijke zaken staan. Doch wat zal onze heidensche Indiaan in dit geval doen? Hij moest kruid en lood hebben. Niettegenstaande alles als voor hem gereed gelegd was, wendt hij zich om en weerstaat de verzoeking, llij zal het uiterste beproeven. Twee dagreizen ver van Fort Hudson ligt een ander fort met name St. Johns, daarheen spoedt hij zich onverwijld in de hoop van er den koopman te zullen aantreffen. Maar ach, ook hier vindt hij hem niet. Zoo is hij nu verplicht onverrichter zake naar Fort Hudson terug te keeren. Vier volle dagen zijn verloopen en wederom staat Musi voor het magazijn van den koopman. Nog is deze niet teruggekeerd. Wat staat hem anders te doen, dan nu eindelijk van den nood een wet te maken. Hij heeft gedaan wat hij konde, zoo besluit hij er dan eindelijk toe om het raam los te

Sluiten