Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ons geen rente nemen over de schuld, eenige guldens groot, die wij sedert eenige jaren bij hem hadden. Nu nam hij dan ook wezenlijk in het eerste jaar geen renten van ons, maar later verdubbelde hij telken jare de renten, zoodat wij met hard werken geen stuivertje overhielden, om ons er kleêren voor te koopen. Wat wij ook deden om hem te vrede te stellen , hij schold en sloeg ons altijd weer en zeker hebben wij niet slechts eenmaal geweend.

Toen wij nu 7 jaar te Ombolata geleefd hadden, kwam er een heer in ons dorp, een blanke vreemdeling, wonen. (Deze heer was de zendeling Thomas.) Iedereen was bevreesd voor hem, want men meende, hij zou zeker even streng als de overige vreemdelingen zijn; doch mijn broeder, die diep bedroefd was, dat onze schuld bij den Balugu dagelijks toenam, waagde het zich tegen loon en kost bij hem te verhuren. Als de Balugu dit vernam, verhoogde hij de schuld op eens tot 80 gulden; dit trok mijn broeder zich zoo aan, dat hij, na drie maanden bij dien heer gediend hebben, naar Padaug ging. Nu maande de Baluger mij om het geld, doch hij sprak niet van 80 gulden, maar zeide dat wij 30 gulden schuld hadden, en voegde er aan toe, als gij de schuld nu niet voldoet, dan zult gij na een jaar 60 gulden schuldig zijn, want ik zal 100 procent nemen. Hoe diep bedroefd was ik over deze mededeeling; maar mijue moeder zeide: „ween niet mijn kind over deze onze schuld, kom met mij mede naar den

[ vreemden heer en laten wij hem onze schuld meedeelen, of hij ons barmhartigheid bewijzen moge.

Toen vroeg die heer aan moeder: „hoe groot is dan uw geheele schuld bij den Balugu ?" Mijne moeder zeide: ,,30 gulden," en weende. Toen zeide die heer: „ween niet, ik ben ook zelf in nood, maar ik zal zien, dat ik u van uwe schuld aflielpe." Dat was een verlichting voor ons en geen drie dagen later was onze schuld betaald. Bovendien kreeg ik nog van hem 5 gulden voor den bouw van ons huis en om een varkentje te koopen, want hij had gezien, dat wij geen huis en geen varken hadden. Sedert dien tijd nam onze heer mij ook in zijn school. Er was echter nog slechts avondschool, nog geen dagschool. Keeds vroeger had onze heer mij er toe opgewekt om in de school te komen, maar altijd had de Balugu het tegengehouden. Wanneer onze heer dan tegen den Balugu zeide: zend mij Daosisi in de school, zeide de Balugu: hij kan niet gaan van wege zijn drukken arbeid. Toen mijn schuld betaald was, mocht ik gaan. Nadat onze heer nu bespeurd had, dat ik wel kon leeren, zeide hij tegen mij: „gij moest ook over dag school gaan, want als gij alleen des avonds komt vordert gij te langzaam." Nauwelijks was dit den Balugu en mijnen vader ter oore gekomen of zij zeiden tot mij: „gij moet volstrekt niet meer naar school toe gaan, want mogelijk brengt die heer u ver van hier over zee en dan is uwe moeder verlaten." Bovendien gingen zij naar onzen heer en zeiden:

Sluiten