is toegevoegd aan je favorieten.

De Hollandsche revue jrg 15, 1910, no 5, 23-05-1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

342

DE HOLLANDSCHE REVUE.

leumbronnen hebben de partikulierén betere resultaten bereikt, doch, zoowel in Palembang als in Djambi en Java, waren de meeste dier olie-terreinen bekend en had de regeering dus met wat meer akti viteit deze zélf kunnen opsporen.

Van Kol gaat verder de resultaten na van de Steenkoolmijnen, van de Liugkep-tinmaatsehappij, van de „Koninklijke" Nederlandsche PetroleumMaatschappij, van de Dordtsche Petroleum Maatschappij, van de Redjang Lebong Goudmijn en van de Ketahoen en Simau mijnen. Dit zijn de eenige partikuliere mijnondernemingen, die geslaagd zijn. Al de andere — meer dan 180 m aantal —' zijn een volslagen mislukking gebleken.

Is. Oueri'do zet zijn essay over „Jan Toorop" voort; Aty Brunt geeft een stukje proza: „Een Liefdewacht", waarin een erg sentimenteele juffrouw wordt geteekend, die op haai' „liefste" wacht.

Van Jan Greshoff komen dan een viertal „Liederen" en van Anton Zelling een bespreking vau de „Tooneelvruchteu van dit seizoen": — de Schooue Slaapster — min, Macbeth — mislukt, de stukken van „De Hagespelers — niets, die van de „Koninklijke" — niet veel beter. Royaards krijgt een pluimpje zonder, de Nederlandsche Tooiieelvereeniging een dito met een steek onder water!

VRAGEN DES TTJDS.

Een aflevering van twee artikelen van twee redakteuren. Prof. Kernkamp geeft in „Vragen des Tijds" van Mei een opstel over „Oranje en de Democratie". Zijn betoog komt hierop neer, dat noch Oranje nóch de demokratie reden hebben de gebeurtenissen te betreuren, die veroorzaakt hebben, dat ieder der beide partijen voortaan haar eigen weg kan gaan. Maar, zegt Lij, — en dit is een ernstige waarschuwing — laten allen, wien Oranje dierbaar is, er voor zorgen, dat de Oranjenaam in den politieken strijd met misbruikt worde.

Wien de Oranjeliefde als muziek in de ooren klinkt, zij mogen waken, dat het geluid niet verstomme, omdat het speeltuig te vaak en door te ruwe vingers werd betokkeld.

Wien Oranje dierbaar is als symbool der eenheid van alle Nederlanders, zij mogen toezien dat het niet misbruikt worde, openlijk noch bedekt, voor onzuivere bedoelingen.

Aan hen de taak, om de uitwassen der Oranjeliefde af te kappen; aan hen vooral ook de zorg, om geen voedsel te geven aan de meening, dat Oranje en de democratie elkaar op den duur toch niet verdragen. Mr. B. H. Pekelharing heeft het vervolgens over „Nogmaals het Woordenboek der Nederlandsche Taal". Onze lezers weten, hoe de schrijver in de December-aflevering 1909 van dit tijdschrift het werk van De Vries voor dit nieuwe Woordenboek beschreven heeft. Hij geeft thans

in de eerste plaats eenige nadere mededeelingen omtrent de inrichting en den inhoud van het Woordenboek. De inrichting verschilt in zoover van het ontwerp van 1851, als daarin de etymologische volgorde was gekozen, waarbij de stamwoorden, of bij ontstentenis daarvan, de woordstammen alfabetisch zouden worden geschikt, maar alle afgeleide en samengestelde woorden, naar de rangorde hunner ontwikkeling, onder hun stammen zouden worden ingedeeld. Reeds in 1854 werd van deze rangschikking afgezien, op grond van overwegende praktische bezwaren; een woordenboek, waarin de afleidingen en samenstellingen onder de stamwoorden zijn ingedeeld, is voor de raadpleging van het gezochte woord al te belemmerend. De alfabetische volgorde heeft echter de aanspraken der etymologie niet miskend. De oorsprong, do vorming en de geschiedenis der woorden worden zooveel mogelijk in het licht gesteld; geen etymologische onderzoekingen en vermoedens, wél de verkregen uitkomsten van het onderzoek zijn daartoe in aanmerking gekomen. De aldus alfabetisch gerangschikte woorden zijn bestemd een algemeen woordenboek te vormen. Doch deze algemeenheid heeft hare grenzen. Bij welk jaar moest men beginnen :

De ontwerpers, zegt hij, dachten aan het jaar 1637, waarin de Statenvertaling van den Bijbel het licht heeft gezien, welke op het Nederlandsche proza een beslissenden invloed heeft geoefend; kort daarna verschenen Hooft's Nederlandsche Historiën, die de ontwikkeling van dat proza, in eene andere richting, niet minder krachtig bevorderden.

Weldra bleek echter eenige verruiming van den terminus a quo wenschelijk. Het tijdperk van de herleving onzer letteren omstreeks 1580 werd geacht van te groote beteekenis te zijn, om het niet op te nemen. Daarom is van omstreeks 1580 af, bet bruikbare opgezameld. „Wij kiezen er datgene uit, wat nog heden in eenig opzicht belangrijk mag heeten, en breiden den kring van hetgeen opteekening verdient, allengs verder uit, naarmate wij den tegenwoordigen tijd naderen, totdat wij eindelijk, aan onze 19de eeuw gekomen, aan alles, wat werkelijk deel van den taalschat uitmaakt, eene wettige plaats verleenen. Zoodoende trachten wij een woordenboek tot stand te brengen der hedendaagsche taal, waarin tevens de rechten van het verledene behoorlijk zijn geëerbiedigd". Het verledene heeft inderdaad eene ruime plaats gekregen. Want, terwijl er slechts dan een afzonderlijk hoofd aan oude woorden wordt verleend, wanneer zij nog in herinnering zijn gebleven als historische termen, als benamingen van vroegere gebruiken, instellingen enz., wanneer zij hier en daar nog voortleven in engeren kring, zoo is bij de bewerking der hedendaagsche woorden gestadig acht geslagen op de historische ontwikkeling en de verschillende beteekenissen, waardoor menig woord in den loop der jaren en in onderscheiden streken zich kenmerkt.