Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

Schermen en onze scherminstructeurs.

A. J. Meijerink. Vj

De heer A. J. Meijerink, wiens foto wij hiernevens plaatsen, de algemeen bekende Haarlemsche leeraar in 't schermen en de gymnastiek werd in 1865 te H. geboren, waar hij reeds op 9-jarigen leeftijd bij den heer Martin in bovengenoemde vakken werd opgeleid. Reeds op 13-jarigen leeltijd werd hij prevöt op 4 wapens, en een jaar later werd hem reeds 't meesterbrêvet uitgereikt. Het schermen werd toen zijn hoofdvak en op zeventienjarigen leeftijd nam hij deel aan eenen wedstrijd te Rotterdam. Het gemis aan wedstrijdroutine was een der oorzaken, dat hij niet tot een der overwinnaars behoorde, maar toen hij de wijze van concours-schermen eenmaal te pakken kreeg, duurde het

nipt 1anor nf tiii vpru/iprf rpp.Hs

met lang of hij verwierf reeds in 1880 op een grooten wedstrijd te Rotterdam den eersten prijs. In die dagen, en dat zullen zich nog vele schermers herinneren, was 't een feit van beteekenis in de schermwereld om in Rotterdam op een slagwapen een eersten prijs te behalen, en het spreekt van zelf, dat na die overwinning alle oogen gevestigd waren op den jeugdigen Haarlemschen schermer, die van dien tijd onafgebroken aan alle wedstrijden in 't binnen- en buitenland deelnam, en zóó groot was zijn succes, dat hij zich reeds spoedig er op kon beroemen den sabelduivel te worden genoemd. Ik herinner mij nog de vele wedstrijden op sabel, waaraan de heer M. deelnam, en zal niet licht de ontzetten¬

de buikslagen vergeten, die hij zijnen tegenstanders zoo mooi en altijd vrij wist toe te brengen, waarin hij ook op den langen stok uitmuntte.

Het was dan ook niet te verwonderen dat vele schermvereenigingen er werk van maakten hem als instructeur te krijgen, zoodat hij van de meesten geruimen tijd de leider in Haarlem is geweest, benevens van de Vrije Wapenbroeders te Amsterdam. Hij verwierf tevens een groote vermaardheid door de wijze waarop hij de carrés lange stok wist te arrangeeren, waarvan de figuren altijd boven zoovele anderen uitmunten. Als secretaris van den helaas kwijnenden Nederl. Schermbond werkte hij mede tot den bloei en vooruitgang van 't schermen in ons land, welke tak van sport in de laatste jaren niet meer kan bogen op het groote aantal beoefenaren van voorheen. De heer M. heeft thans te Haarlem een druk bezochte scherminrichting in 't ZanderInstituut en hoop binnenkort te H. een groot Intern. Assaut te organiseeren, waarbij men getuige zal kunnen zijn van de vruchten van zijn onderwijs.

*) Van de redactie.

Onder bovenstaanden titel verscheen in No. 5 van „De Revue" een onstel van de hand des heeren J. Door-

f fman, dat waarlijk in het belang van de Nederlandsche f schermsport niet onbesproken mag blijven.

Gemoedelijk zou ik kunnen vragen: Is dat opstel na ernstige overweging en rijp beraad geschreven? Het antwoord aan ieder, die bekend is met de geschiedenis der Nederlandsche schermsport.

Voorop moet ik stellen, dat het mij niet gaat om de personen doch om de verschillende oordeelvellingen enz.

Een ieder, die met het geven van onderwijs in het schermen bekend is, zal toegeven, dat het voor een onderwijzer een zeer moeilijke taak is om een leerling, die van meet af aan deze sport moet leeren, zóó ver te brengen, dat hij in het schermspel toont goed bedreven te zijn en de regels der kunst in toepassing weet te brengen. De verdere practische opleiding om

fineer ervaren te wuiucii is [ voor den onderwijzer niet alleen een betrekkelijk gemakkelijke taak, doch tevens een aangename en vooral dit laatste zal nog verhoogd worden naarmate de leerling toont een aangeboren vlugheid te bezitten en een „open oog" te hebben in het zien aankomen van aanvallen.

Zeker had ik dan ook verwacht, dat de heer J. Doorman niet vergeten was, dat hij zijne eerste opleiding had ontvangen van den Nederlandschen schermmeester aan de Kon. Mil. Academie, den heer H. A. van Pareren.

Daar waar schrijver in zijn stukje aanhaalt: „De resultaten op wedstrijden wijzen duidelijk aan, enz." geef ik

in ernstige overweging eene A. J. Meijerink. methode van schermen nooit

te beoordeelen naar het re¬

sultaat van wedstrijden; immers op wedstrijden ziet men in den regel zulk eenzijdig werk. En dan persoonlijke aanleg enz. zijn zoo van overwegende invloed op den uitslag, dat men nimmer op die manier eene methode mag beoordeelen.

Wil men verschillende methodes onderling beoordeelen, dan doe men dat naar het gevechtsschermen en ga op degelijke, technische gronden na het vóór en tegen van elke methode. Men komt dan nog wel eens tot verrassende uitkomsten omtrent de werking van pols-, elleboog- en schoudergewricht.

Daar waar schrijver aanhaalt: „Les sports modernes", stel ik de meening van den commandant van de schermschool te Joinville-le-Pont, die nog niet ingenomen is met de Italiaansche wijze van werken.

Verbaasd heb ik gestaan na het lezen van: „Nu zou men geneigd zijn te vragen: zijn dan deze vier vreemdelingen onze eenigste instructeurs? enz." Waarop het antwoord zou moeten volgen: Neen! en zeker behoeven we ons niet te schamen, dat wij best met eigen krachten kunnen werken.

Hebben we niet onzen Ploeg, Nieuwenhuizen Sr.,

Sluiten