is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 32, 1926, no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 144 —

Meerlo en Merselo, Meerssen en Meersenhoven wijzen op een waterland, waar de mare, mersch of moeras verspreid is.

Broekhuizenvorst, Grubbenvorst, de Vorst onder Velden, de Vorst onder Posterholt aan de hooge ligging. Wij vinden het woord vorst nog terug in de vorst van een huis, de nok of het hoogste gedeelte. Well en Born in een bron, evenzoo Baarn, Baerlo, Barneveld, Borne en Bornegoor en meer andere.

Afferden is afgeleid van A of water en voirde, plaats waar men geschikt door het water, hier de Maas, kon komen.

A, ee, eppe is water ; onder Boxmeer ligt nog het Eppegat.

Gel is in de oude taal beek. Daarom is Gelderland 't bekenland. Men moet maar eens een kaart opslaan, dan ziet men tal van beken en rivieren naast den IJsel naar het Noorden en het oude Flevomeer, thans de Zuiderzee, loopen. Het voorvoegsel Gel zit in Gel-een, Geulle, Gulpen, Gelder, Geldrop, Gellecom, Geilenkirchen, wellicht ook Gennep.

Heim of heem verkort tot um of em is eene woning, als Ottersum, Veltum, Wanssum en andere.

Gewoonlijk hebben de eerste bewoners een naam gezocht ontleend aan de grondgesteldheid, aan blijvende zichtbare voorwerpen. Naar gelang de ouderdom der plaats is de naam dan in de bij het ontstaan gebruikelijke taal soms wat vervormd tot ons gekomen.

Zoo herinnert Maastricht nog altijd aan het Latijnsche Trajectum ad Mosam of Tricht, Bierick aan Blariacum, Kessel aan Castellum, en Cuyck aan Cuecum, Nijmegen aan Novio Magum.

Maar degenen, die Blitterswijk van Vicus ad Littoram, Litterswick willen afleiden zijn toch wel wat ver van huis geraakt. Het oplossen en verklaren der oude stede-, dorpsen gehuchtsnamen blijft altijd een werk vol bezwaren, omdat men uit die verre tijden zoo weinig zekere gegevens heeft.

LIMBURGS BEELDSPRAAK.

De taal is de ware afspiegeling van het volkskarakter. De korte, afgekapte taal van het Noorden, waarbij de woorden