is toegevoegd aan uw favorieten.

De vereenigde tijdschriften Caecilia en Het muziekcollege; algemeen toonkunstblad voor Groot-Nederland jrg 83, 1926, no 10, 16-03-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

eerste maal; dan is haar lesuurtje om — ze vertrekt, bij mij achterlatend diep medelijden en een opstandig gevoel van: waarom zij zóó — en die andere . . . Gij meedoogenlooze Natuur!

,,Maar waarom heb je nooit eens met haar besproken, er maar mee op te houden?"

„Ach, beste kerel, je weet niet hoevele malen ik dat bedekt gedaan heb, maar dat pianospelen was voor haar alles — het eenige wat ze begeerde van dit leven.

„Heeft ze nog lang je lessen gevolgd?"

„Nog bijna een jaar. Plotseling en vreemd kwam daaraan een einde.

't Ging juist die laatste maanden een ietsje beter. Haar geheele manier-van-doen was om zoo te zeggen veranderd. Ze kleedde zich jeugdiger, droeg een blouse — ach, ja, hoe kwam ze daartoe — in den geest zooals Emmy droeg.

Tot de oude toestand weerkeerde. Zenuwachtig, als opgejaagd, bleek, kwam ze, twee dagen nadat ze op les geweest was, me mededeelen, dat ze de studie opgaf. . .

Diep in haar donkere oogen las ik het vaarwel aan een gekoesterd ideaal toen ze me voor het laatst de hand gaf.. .

JAN KEYZER.

IIIIINIIIIIIIIIIIIIIliimmilllllllllllliliiu IIIIIIIIBIUIinilllllllllllll Illllllll IIIIIHIHII IIIIIIIHIIIIUIIIIIIIIIIII

Iets over het dirigeeren.

door

M. C. VAN DE ROVAART.

Reeds bij de muziekuitvoeringen der oudste cultuurvolken vinden wij het gebruik van het maatslaan als middel ter bereiking van een goed geregelde samenwerking van een aantal uitvoerenden. Hoewel deze muzikale leiding in de oudheid op velerlei wijze plaats vond, geschiedde zij toch bijna altijd luid hoorbaar. De aanvoerder bevond zich gewoonlijk in het midden der musici op een

verhoogde plaats en regelde de uitvoering deels door klokken, door het krachtig tegen elkaar slaan van groote schelpen, van dierenbeenderen of van andere geluidgevende instrumenten en ook wel door het klappen in de handen. Bij de oude Grieken markeerde de dirigent (Koryphaios) het zware maatdeel, in 't bizonder bij de uitvoering van instrumentale muziek, door krachtig stampen met den voet, terwijl bij de oude Romeinen de maat werd aangegeven door verscheidene personen, wier schoenen van ijzeren zolen waren voorzien (pedicularii, pedarii). Hoe lang dit gebruik, dat een artistieke samenwerking ten eenenmale onmogelijk maakte, gehandhaafd bleef, is niet na te gaan. Het gebrekkige ervan, in 't bizonder bij gecompliceerde muziekstukken bracht een nieuw middel in zwang n.1. de muziek door wenken, gebaren en handbewegingen te leiden. Deze gebarentaal (Cheironomie), die als het ware de melodie illustreerde, was reeds in de laatste periode der oudheid, vooral bij de Oostersche volken, de meest gebruikelijke wijze van dirigeeren. Aangezien zij ook bij de ritueele gezangen der oude christelijke kerk toepassing had gevonden werd zij in de middeleeuwen over geheel Europa algemeen.

Deze gebarentaal, ter wille der duidelijkheid, dikwijls door een zacht hoorbaar slaan op den lessenaar door middel van de rechterhand, een papieren rol of een staafje ondersteund, was vermoedelijk reeds in de 10de eeuw, ten tijde van Huckbald's Organum, gebruikelijk geweest. De vroegste bevestiging daarvan vinden wij in een door Elias Salomon, een geestelijke uit St. Astier vervaardigd tractaat „Scientia artis musicae seu doctrinae". In dit geschrift, dat in 1724 door paus Gregorius X overhandigd werd, heet het „mit der rechten Hand werden die Absatze (pausae) angegeben (durch Aufschlagen auf das Notenbuch), mit dem Finger oder dem Stabchen auf die (zu singenden) Noten gezeigt und