is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 1, 1897 (1e deel) [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

794

De Regeering heeft meermalen blijk gegeven, dat zij niet op dat bekrompen standpunt staat, doch eene regeering vermag weinig, indien ze niet gesteund wordt dooide openbare meening. Niet enkel de Regeering, ook de meer ontwikkelden onder de inlanders beseffen ten volle de waarde van die kennis. Om u daarvan te overtuigen, veroorloof ik mij uit eene nota van een aanzienlijken Javaan aan een regeeringspersoon het volgende aan te halen: „Aangezien alle geschriften en werken betreffende vooruitgang en ontwikkeling op elk gebied", zoo lezen wij in die nota, „in de Nederlandsche of andere vreemde (d. i. Europeesche) talen geschreven zijn, zoo is de kennis van een dier talen voor een inlandschen ambtenaar zeer nuttig.

„Zij dient hem tot hulpmiddel om zich een begrip te vormen of eene voorstelling te maken van al wat hem anders onbekend zou blijven".

Mij dunkt, deze woorden zijn duidelijk en tevens vrij van overdrijving.

De gelegenheid om zich de kennis van het Nederlandsch in voldoende mate eigen te maken, ontbreekt den inlander niet geheel en al. Zulk eene gelegenheid bestaat er vooreerst op de zoogenaamde hoofdenscholen, en ten andere op de Hoogere Burgerscholen. Hooren wij, wat bedoeld Javaansch hoofd hieromtrent in zijne Nota opmerkt:

„Tevergeefs wacht men tot heden op de oprichting van scholen der eerste klasse, meer in 't bijzonder bestemd voor de kinderen van inlandsche hoofden en andere aanzienlijke of gegoede inlanders, en toegezegd bij Staatsblad 1893 N°. 125.

„Voor de aanstaande inlandsche ambtenaren worden op dit eiland wel drie zoogenaamde hoofdenscholen aangetroffen, doch met een beperkt aantal leerlingen".

Aan deze laatste zinsnede kan ik op grond van een door mij ontvangen schrijven toevoegen, dat de aanvraag om op die scholen geplaatst te worden, zeer groot is. Op een dier scholen hebben zich dit jaar vijf maal meer