is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 26, 25-06-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274

ontwerp naar de afdeelingen verzonden, en in de zitting van 16 Juni d. a. v. aangenomen. Slechts twee leden verklaarden er zich tegen.

Goedkeuring der internationale overeenkomst omtrent het qoederenvervoer op spoorwegen (No. 114).

Het wetsontwerp, hiertoe strekkende, werd in de vergadering der Tweede Kamer van 13 Mei zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Aan de hand der Memorie van Toelichting kan omtrent deze zaak het volgende worden vermeld: Op 14 October 1890 heeft te Bern de onderteekening plaats gehad van eene internationale overeenkomst tusschen de gemachtigden van Nederland, België, Duitschland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Hongarije, Rusland en Zwitserland, tot regeling van het goederenvervoer op spoorwegen.

In 1878 werd door den Zwitserschen Bondsraad aan de overige negen opgenoemde Staten de uitnoodiging gericht, te Bern gemachtigden te doen samenkomen, ten einde over eene internationale conventie betreffende, het spoorwegvervoer van goederen te beraadslagen. Aan deze beraadslaging werden tot grondslag gelegd twee ontwerpen, één in Zwitserland, het andere in Duitschland samengesteld. De vrucht daarvan was een ontwerp-overeenkomst met vier daarbij behoorende ontwerpen van: een reglement voor de oprichting van een centraal-bureel; van de uitvoeringsbepalingen met bijlage; van een lijst der slechts voorwaardelijk ten vervoer toegelaten voorwerpen en van den vrachtbrief met bijlagen. Deze ontwerp-overeenkomst werd door de Regeeringen der Staten in studie genomen, welke daarover het gevoelen der belanghebbenden inwonnen. Toen in 1881 de tweede conferentie werd gehouden, werd het ontwerp niet onbelangrijk gewijzigd. Dit gewijzigde ontwerp onderging op zijne beurt in de derde conferentie, die van 1886, nog eenige veranderingen. Toen werd echter een tekst vastgesteld, welke onveranderd is opgenomen in de overeenkomst, waartoe in 1890 de bovengenoemde Staten door onderteekening zijn toegetreden. In die conferentie van 1886 is tevens het slotprotocol opgemaakt, waarbij nog omtrent eenige punten verduidelijking van de bedoeling der partijen is opgenomen.

Gelijk haar titel aangeeft, betreft de overeenkomst het vervoer over spoorwegen van goederen, die uit een der bij de regeling betrokken landen naar een ander dier landen worden verzonden. Daar een zoodanig vervoer, althans voor zooveel het plaats heeft met een doorgaanden vrachtbrief voor de daarbij betrokkenen, namelijk den afzender en den geadresseerde, ééne rechtshandeling vormt, is het voor de rechtszekerheid van het grootste belang, dat zij door dezelfde rechtsbeginselen wordt beheerscht. Toch zou ten gevolge van het verschil tusschen de wetboeken der Europeesche Staten, het spoorwegvervoer aan even zoovele wettelijke regelingen onderworpen zijn als er Staten zijn door welke het transport plaats heeft, ware het niet dat eene vereeniging van spoorwegbesturen, buiten het Staatsgezag om, werkzaam is geweest tot bevordering van eenvormigheid van de voorschriften op hetspoorweggoederenvervoer. Tot het Verein Deutscher Eisenbahn Verwaltungen nameliik hehonren ris rimtoMra Onrfon„::i,-„l,„ u i._ vr_Y-..

landsche en Luxemburgsche spoorwegen, alsmede de Belgische particuliere spoorwegen en enkele Russische en Rumeensche spoorwegen. Dit Verein heeft eenvormige regelen voor het personen- en goederenvervoer vastgesteld, zoodat het vervoer over spoorwegen, tot'het Verein behoorende, altijd door die eenvormige voorschriften wordt beheerscht. Die regelen zijn bovendien grootendeels overgenomen voor het binnenlandsch vervoer in Duitschland in het Betriebsreglement en in Nederland in het Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen vastgesteld bij Koninklijk besluit van 9 Januari 1876 (Staatsbladen0] 7).

Bedoelde Vereinsvoorschriften betreffen het vervoer van personen, lijken, rijtuigen, dieren en vrachtgoederen en maken den inhoud uit van het Betriebsreglement des Vereins Deutscher Eisenbahn Verwaltungen, laatstelijk herzien op 1 Maart 1890. Ofschoon het Verein aan het internationale goederenverkeer door die voorschriften gewichtige diensten heeft bewezen, zoo kon toch volkomen eenheid van rechtsregelen betreffende het spoorwegvervoer er niet door bereikt worden, in de eerste plaats niet omdat, gelijk elke overeenkomst, de Vereinsovereenkomst alleen die spoorwegen bindt die haar hebben aangegaan en het verkeer bijv. met de Fransche spoorwegen er niet door wordt beheerscht, maar ook omdat boven de Vereinsbepalingen, waaraan de spoorwegen gebonden zijn, de wet staat van het land waartoe zij behooren. In de gevallen derhalve, waarin die wet niet overeenstemt met de bepalingen van het Verein, zijn de laatste krachteloos.

Door de conventie van Bern is de rechtseenheid in hooge mate bevorderd. Het aantal der spoorwegen waarvoor die conventie zal gelden, is veel grooter dan dat van de spoorwegen, welke lid zijn van het Verein, ofschoon niet op alle tot het Verein behoorende spoorwegen, bijvoorbeeld niet op die in Rumenië, de conventie toepasselijk is. Terwijl' alle Fransche en Italiaansche spoorwegen, de meeste Russische spoorwegen en de Belgische Staatsspoorwegen niet tot het Verein behooren, zullen de bepalingen der conventie gelden voor de overgroote meerderheid der spoorwegen van het vaste land van Europa. En terwijl de bepalingen van het Verein alleen contractueele gevolgen kunnen uitoefenen, zal de internationale regeling, die te Bern getroffen is door middel van de verordeningen, welke in eiken Staat ter uitvoering daarvan zullen worden uitgevaardigd, kracht van wet hebben.

Wordt dus door de conventie een belangrijke stap gedaan in de richting van eenheid van het materieele recht ten aanzien van de uit het vervoercontract ontstane verhoudingen, voor de bevordering der •eenvormige behandeling der rechtsverhoudingen zou nog slechts gebrekkig zijn gezorgd, indien ook niet voor deze materie het beginsel van uitvoerbaarheid van buitenlandsche vonnissen, gewezen door den volgens

de conventie bevoegden rechter, ware erkend geworden. Het voordeel dat voor een transport tusschen Duitschland en Frankrijk hetzelfde recht geldt, is onmiskenbaar, maar verkrijgt een zooveel grooter beteekenis door de bepaling van de conventie, dat de toepassing van dat recht door den Franschen rechter, door den Duitschen rechter en de uitspraak van den laatste, door den eerste moet worden geëerbiedigd

Daar de conventie zich in verreweg de meeste gevallen aansluit bij de bepalingen van het Verein en van het Duitsche Betriebsreglement waarmede, zooals werd opgemerkt, ons Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen in hoofdzaak overeenstemt, zal dit laatste wel gewijzigd moeten worden, doch geen veranderingen van ingrijpenden aard behoeven te ondergaan.

De overeenkomst lokte in de Tweede Kamer niet veel debat uit

De heeren Van Karnebeek en Van Beuningen, doch vooral de heer Vrolik, die, als oud-spoorwegman van de zaak een bijzondere studie bleek te hebben gemaakt, opperden tegen sommige bepalingen bedenking doch onthielden, in het vertrouwen dat bij eene herziening der regeling met hunne bezwaren rekening zou worden gehouden hunne stem aan het wetsontwerp niet.

De overeenkomst werd in de vergadering der Eerste Kamer, van 8 Juni naar de afdeelingen verzonden en in de vergadering van 15 Juni zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Th. S.

KLEINE MEDEDEELINGEN.

Briques Faloonnier.

De in jg. 1891 blz. 259 beschreven holle glazen bouwsteenen o-enoemd Briques Falconnier worden o. a. met gunstig resultaat'toegepast voor den bouw van plantenkassen. Zoo is daarmede bijv de plantenkas van de universiteit te Dyon overwelfd.

Het warmteverlies is, volgens de mededeeüng van den directeur Prof. R. Gérard, bij deze constructie veel geringer dan bij het gebruik van een met een eenvoudige vensterinrichting voorzien eh op dezelfde wijze verwarmde plantenkas. De verlichting is zeer bevredigend, terwijl het schoonmaken zeer gemakkelijk is en zonder vrees voor breken kan geschieden. ë

Rietmatten kunnen ontbeerd worden.

De briques voor broeikassen zijn van eene eigenaardige oo»vormioe gedaante; het cirkelvormige middengedeelte heeft 0.14 M middellijn en in het middelpunt 0.115 M. dikte; aan dat gedeelte bevinden zich twee staartvormige verlengingen, die naar de einden in breedte en dikte afnemen, en wel resp. tot 0.06 en 0.055 M.

ann ë u sleenen 1s u-^O M. Hun gewicht bedraagt gemiddeld 700 gram, terwijl oO stuks noodig zijn per M2. De M2. kost ongeveer f 6.20 a f 9. .

Ook bij den bouw van veranda's enz. kunnen de steenen groote diensten bewijzen, daar zij goede isolatoren zijn tegen de koude m den winter, tegen de hitte in den zomer en tegen het geluid, en daarbij het licht doorlaten zonder dat men door de steenen kan zien.

De houten weg in het Valterveen in Drenthe.

In de «Nieuwe Rotterdamsche Courant» kwamen in den laatsten tijd berichten voor omtrent een gevonden brug of we°- in het Valterveen in Drenthe, waarvan een gedeelte aan het Rijksmuseum te Leiden en een gedeelte aan het Provinciaal Museum van Oudheden te Assen is verzonden.

Volgens die berichten zou genoemde brug vermoedelijk vóór 2000 jaren door de Romeinen gelegd zijn, doch dit vermoeden schijnt op geen goeden grond te berusten, immers reeds in 't begin dezer eeuw is door deskundigen hieromtrent een geheel andere meenin°- uitgesproken. ° B

In het jaar 1818 ontdekte de hoofdingenieur in het 8ste district de heer J. W. Karsten, terwijl hij bezig was de grensscheiding tusschen Groningen en Drenthe op te maken, deze brug of dezen houten weo-

De weg begint een weinig ten westen van het tegenwoordige Weerdingerholt in de buurtschap Weerdinge onder de gemeente Odoorn met ver var, de Valterschans, ter plaatse waar de vaste zandorond' eindigt en door veengrond wordt vervangen, loopt van daar in°eene noord-oostelijke richting, doorsnijdt het riviertje de Mussel-Aa en eindigt bij het gehucht ter Haar in Groningerland, waar de veengrond eveneens ophoudt en in vasten zandgrond overgaat. De geheele lengte van den weg is omtrent 3 uur gaans.

Dadelijk na de ontdekking is door verschillende deskundigen een onderzoek naar den oorsprong daarvan ingesteld, dat echter tot zeer uiteenloopende gissingen geleid heeft. Zoo zou volgens Scheltema Hofstede, Epkema, van Lier, Bolhuis en anderen, bijna allen als oudheidkundigen zeer gunstig bekend, de brug gemaakt zijn door de Romeinen hetzij door het leger van Germanicus, ter gelegenheid van diens tocht tegen Arminius (door Tacitus, in het eerste van zijne jaarboeken, H. 60 vermeld), of wel door Caecina of Pedo, welke eerste bij het optrekken van het Romeinsche leger tegen de Germanen op last vari Germanicus veertig cohorten over den bodem der Bructeren naar den Eemstroom voeren, en welke laatste de ruiterij over de °renzen der Friezen derwaarts leiden moest.

Volgens Mr. P. A. Brugmans zou de weg echter een werk der Munsterschen van het jaar 1672 zijn,

Dit verschil van meeningen was aanleiding, dat het Kon Nederlandsen Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten m het jaar 1819 een commissie tot onderzoek benoemde, bestaande uit de heeren : M. Siegenbeek, mr. D. J. van Lennep, mr S J Z Wise-