is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 51, 17-12-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

545

■van werktijd en bezoldiging gesteld. Eene geringe verandering in den werktijd en de bezoldiging had toch wegens de talrijkheid van dat personeel eene verhooging der uitgaven met vele duizenden guldens ten gevolge. Ook diende niet uit het oog verloren te worden, dat het gemeenschappelijk gebruik van onderscheidene lijnen door de beide ondernemingen eerst gaandeweg in toepassing kwam. Dat verlaging van tarieven, althans voor het personenverkeer, nadeelige flnancieele uitkomsten zou opleveren, werd dezerzijds niet toegegeven. Thans zijn de wagens veelal slechts door enkele passagiers bezet. Verlaagde men het tarief en nam daardoor het vervoer toe, dan zou het gevolg zijn dat de wagens beter gevuld werden en geene groote vermeerdering van beschikbaar materieel noodig zijn. Gaarne vernam men, of invoering van lagere personen- en goederentarieven en van zónetarieven binnenkort te wachten is en of het waar was, dat die invoering afstuitte op geschillen tusschen de beide spoorwegdirectiën."

Verkoop Zuidoosterspoorweg.

»In eene afdeeling werd beweerd, dat reeds eenige maanden geleden door den directeur der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen een contract zou zijn geteekend, waarbij de Zuidoosterspoorweg aan de Exploitatiemaatschappij wordt verkocht, en zou die koop tot groote speculatie in de aandeelen van den Zuidoosterspoorweg aanleiding hebben gegeven. Gaarne zou men vernemen, of de mededeeling omtrent het sluiten van dat contract juist was en of dan misschien de Kamer daaromtrent niets had vernomen, omdat de Minister aan den verkoop zijne goedkeuring had onthouden."

Nieuw gebouw voor het Meteorologisch Instituut.

Art. 133. «Volgens de Memorie van Toelichting zal het nieuwe gebouw eene som van ongeveer f 90,000 kosten. Sommige leden waren niet overtuigd, dat dit nieuwe gebouw inderdaad noodig is. Gevraagd werd, of die raming enkel den aankoop van grond en het bouwen, dan wel ook de inrichting van het nieuwe gebouw, voor zooveel meubilair, instrumenten enz. betreft, omvat? Of zal later voor die inrichting weder eene nieuwe aanvrage te doen zijn1? Men vroeg of in zulk een observatorium geen ijzeren voorwerpen mogen aanwezig zijn, zoodat alles, wat anders uit ijzer vervaardigd wordt, hier uit koper wordt gemaakt. -Verder werd gevraagd of thans reeds grond voor het gebouw is aangekocht, waar het gebouw zal worden geplaatst, en of het plan bestond dat ook in de andere universiteitssteden dergelijke observatoria zouden worden opgericht.

Van andere zijde werd hierop geantwoord, dat het Meteorologisch Instituut in geenerlei verband stond met de universiteit te Utrecht en dat dus van oprichting van observatoria in andere universiteitssteden wel geen sprake zou zijn. Dat aan het nieuwe gebouw behoefte bestaat, was, naar men meende, in de Memorie van Toelichting voldoende aangetoond. De plaats, waarop het tegenwoordig gebouw gelegen is, was inderdaad voor het doen van meteorologische waarnemingen geheel ongeschikt. .

Gaarne zou men de verzekering ontvangen, dat het met de bedoeling is de filialen, die het Instituut te Amsterdam en te Rotterdam heeft, op denzelfden voet in te richten als het nieuwe gebouw."

Bevloeiing.

Art. 149. «Tegen deze nieuwe uitgave werden van verschillende zijden bedenkingen geopperd. Sommige leden waren van oordeel, dat een onderzoek naar de wenschelijkheid van bevloeiing niet op den weg van den Staat ligt en enkel als eene vraag van bijzonder belang kan worden beschouwd. Zij betoogden dat in Drenthe voor bevloeiing, waar het noodig is, door de eigenaars van landerijen goede maatregelen genomen zijn, en dat ook in andere provinciën de eigenaars, wier uit-, sluitend belang het is, zeiven hadden na te gaan, in hoeverre maatregelen tot bevloeiing hunner eigendommen wenschelijk zijn. Het voorstel van den Minister kwam bovendien vooral hierom zeer bedenkelijk voor, omdat daarmede een onafzienbaar veld van onderzoekingen wordt geopend, waarvan de kosten, gelijk trouwens aan het slot der toelichting wordt erkend, onmogelijk zijn te berekenen.

Andere leden gingen niet zoo ver; zij meenden dat het onderzoek voor den landbouw van veel belang was en daarom ondersteuning van het particulier initiatief door den Staat gewettigd was; maar zij wenschten dat onderzoek te beperken tot die gevallen, waarin door een complex van eigenaars, of door een gemeentebestuur de wenschelijkheid van bevloeiing was aangetoond. Het onderzoek zou dan van technischen aard moeten zijn en zich bepalen tot de vraag, op welke wijze de bevloeiing zou kunnen geschieden.

Ook werd in overweging gegeven niet dadelijk eene commissie van vijf leden te benoemen voor een onderzoek over het geheele land, maar slechts één deskundige te benoemen en eene proef op kleine schaal te nemen. Was die proef ingesteld, dan kon men nader nagaan, of er termen waren om een meer uitgebreid onderzoek te doen plaats hebben.

Er waren ook verscheidene leden, die zich met het voorstel van den Minister konden vereenigen en daarvan goede vruchten voor den landbouw verwachtten.

Overigens werd nog de meening uitgesproken, dat, na de beslissing, ten vorigen jare genomen omtrent het overbrengen van posten betreffende den landbouw naar hoofdstuk V der Staatsbegrooting, ook deze aanvrage op die begrooting te huis behoorde, wat echter door anderen werd ontkend."

Tentoonstelling te Chicago. Art. 164. «Zeer vele leden verklaarden zich met dezen post niet te kunnen vereenigen. Sedert in 1884 het voorstel der Regeering om Nederland officieel te doen vertegenwoordigen op eene tentoonstelling te Antwerpen verworpen werd (zie Handelingen 1884—1885, 2de zitting, blz. 73—77), heeft men zich van offlcieele vertegenwoordiging bij dergelijke gelegenheden onthouden. Men meende dat van deze wijze van handelen thans niet behoort afgeweken te worden, ook omdat het niet wel aanging tegenover de Vereenigde Staten van Noord-Amerika te doen, wat men tegenover andere natiën geweigerd heeft. Voorts scheen het bijzonder bedenkelijk voor Chicago een offlcieelen commissaris te benoemen, omdat onze industrie daar zeer slecht vertegenwoordigd zal zijn. De plaatsruimte voor Nederland is, naar men meende, veel te laat aangevraagd en de Nederlandsche industrieelen schijnen, ook wegens de hooge invoerrechten, weinig voordeel in de zaak te zien. Wilde men hierin verandering brengen, dan zou het Rijk een paar ton gouds beschikbaar moeten stellen. Maar bovendien, de aanvraag van f 15,000 komt volstrekt niet ten goede aan de Nederlandsche inzenders ; zij zal integendeel grootendeels strekken om aan den consul te Chicago eene vergoeding voor representatiekosten te geven. En dat achtte men geheel onnoodig."

Uitvoering fabriekswet.

Art. 165. «Verscheidene leden meenden dat de arbeidswet nog steeds gebrekkig wordt toegepast. Naar het schijnt zijn de kleinere fabrikanten en industrieelen en zelfs de ambtenaren der gemeentepolitie met de bepalingen der wet niet voldoende bekend. Ook blijven de burgemeesters niet zelden in gebreke voor mededeeling van voorkomende ongelukken aan de inspecteurs te zorgen. Ook in de verslagen der inspecteurs over 1891 wordt het een en ander in denzelfden geest medegedeeld. (Zie bladz. 4, 160, 168, 277, 283.)

Men vroeg of de Regeering gezind was maatregelen te nemen, ten einde te verzekeren dat de politie-ambtenaren beter bekend zijn met de bepalingen van de wet en van de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften.

Voorts werd gevraagd, of het thans niet gebleken is, dat het toezicht op de uitvoering der wet niet kan opgedragen blijven aan drie inspecteurs, die nevens de bezoeken, welke zij aan fabrieken en werkplaatsen hebben te doen, ook met allerlei administratieve werkzaamheden zijn belast; of dus aanstelling van adjunct-inspecteurs niet bepaald noodig is om de goede werking der wet te verzekeren. Andere leden verklaarden daarentegen dat zij geenszins op vermeerdering van dit personeel wenschten aan te dringen.

Eindelijk verzocht men dat de Minister maatregelen zou nemen om de verslagen der inspecteurs, die reeds in het voorjaar inkomen, vroeger ter kennis van de Staten-Generaal te brengen. Th. S.

AANTEEKENINGEN UIT TECHNISCHE TIJDSCHRIFTEN.

ENGINEERING, Augustus 1892. (Bewerkt door I. I. W. van Loenen Martinet.) Beproeven van stoomdynamo's bij de Engelsche marine.

Aan een voordracht onlangs gehouden in het «Institution of Mechanical Engineers» over toepassingen der electriciteit bij de marine, ontleenen wij het volgende omtrent bovenstaand onderwerp:

De machines moeten eerst een proef van zes uur doorstaan met volle belasting, terwijl ieder half uur stoomdruk, stroomsterkte en spanning gemeten worden. Ook de temperatuur van het lokaal en die van de magneten en van het anker worden van tijd tot tijd bepaald.

Na afloop van de proef mag de temperatuur van alle toegankelijke deelen der machine de temperatuur der omgeving met niet meer dan 30° Fahr. overtreffen ; de maximum temperatuur van het anker mag niet meer zijn dan 70° boven die van het proeflokaal. Wanneer deze grens met 10° overschreden wordt, bestaat er grond den dynamo af te keuren. Aan deze temperatuurproeven wordt zeer veel gewicht gehecht, daar men aanneemt dat een dynamo, die in dit opzicht niet aan de gestelde eischen voldoet, geen langen levensduur kan hebben. Het reserve-anker, dat bij iedere machine geleverd wordt, onderwerpt men aan dezelfde proeven.

Wat de stoommachines betreft, wordt vooral gelet op een gunstig kolenverbruik, een regelmatigen gang en snelle reguleering bij veranderlijke belasting. De fabrikant moet het stoomverbruik per electrische paardekracht garandeeren, terwijl een boete opgelegd wordt voor meerder verbruik; is dit laatste meer dan 5 K.G. hooger dan het gegarandeerde, dan kan de machine afgekeurd worden. De sneldheid mag om niet meer dan 5 °/0 variee.ren van volle belasting op belasting nul.

(«Engineering*, 5 Augustus.)

LIJS'TDEK WERKEN

vanwege de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs uitgegeven en voor het publiek beschikbaar gesteld.

Repertorium der literatuur van den Waterstaat van Nederland, bewerkt door P. H. Kemper, L. V. B. I.; uitgegeven in 1883 bij Martinus Nuhoff te 's-Gravenhage. Prijs f 1.

Tarief voor reis- en verblijfkosten ten behoeve van Technici; uitgegeven in 1887 bij Gebr. Belinfante voorheen A. D. Schinkel te's-Gravenhage. Prijs f 0.25.