is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 35, 29-08-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INGENIEUR.

Orgaan

6e Jaargang. °» 1891. - JV2 35. VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

MHal pwijfaai li tscMlsTeïlTwioiiiiB van Opta Werken 11 MmMt

Prijs per Jaargang:

Franco per post.

Voor Nederland » ■ • / 8.—

Voor het Buitenland met vooruitbetaling ... - 10.50 Voor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs

worden bovenstaande prijzen met ƒ 2.— verminderd, alen abonneert zich voor een jaargang. Over het bedrag der abonnementen in Nederland

wordt halfjaarlijks door de Administratie beschikt. Afzonderlijke nummers 20 cents. — Bewijsnummers

10 cents.

Verschijnt eiken Zaterdag.

Abonnementen, stukken en mededeelingen, boeken brochures, enz. te richten aan de Redactie: Barentszstraat No. 51, te 's-Gravenhage.

Advertentièn uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags intezendeu aan de Administratie: Gebb. Belinfante, voorh.: A. D. Schinkel, Paveljoensgracht No. 19, te 's-Gravenhage.

VGravenhage. 29 Augustus.

Prijs der Advertentièn:

Per regel / 0.25

Groote letters naar plaatsruimte.

Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

Bij eene eerste plaatsing van annonces voor Aanbestedingen is de prijs per regel ƒ0.15; bij eene tweedo en meerdere plaatsing van dezelfde annonce ƒ 0.10.

Bij abonnement op Advertentièn wordt het blad gratis toegezonden.

Verantwoordelijk Redacteur: E. H. Stieltjes, Civ.-Ing., 's-Gravenhage.

INHOUD.

De Waterstaatskaart, door J. Krap. — Verslag van de Commissie ter bevordering van het Transito-verkeer over Amsterdam aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam. (Met plaat). — Aanteekeningen uit technische tijdschriften: Le Génie CS vil, Nov. 1890. — "Weerkundige waarnemingen. - Bivierberichten. — Statistieke mededeelingen. — Binnen- en Buitenlandsche Berichten. — Benoemingen, verplaatsingen, enz. — Open Betrekkingen.

De Waterstaatskaart.

i>n de verscmiienae arcnieven treit men nu» eeue

groote verscheidenheid van kaarten uit vorige eeuwen aan; meestentijds waren het voorstellingen van steden en waterschappen, of wel plans, memoriën enz. de

defensie van den Staat betreffende.

Geteekende of gegraveerde kaarten betreffende de geographie en topographie waren zeldzamer en hoewel versierd met prachtige wapenschilden en engeltjes, waren zij niét volledig, veel minder nauwkeurig in de details; zij waren te veel als schets behandeld en bijna zonder uitzondering als op zich zelf staande voorstellingen geteekend, zoodat er geen samenhangend geheel bestond, dat een duidelijk en nauwkeurig beeld van ons vaderland gaf.

In 1822 werd dan ook een commissie benoemd om een ontwerp in te dienen voor de vervaardiging eener topographische kaart van het Koninkrijk der Nederlanden.

In haar rapport zegt deze commissie, dat er niet te veel aandacht besteed kan worden om de grondslagen te leggen van een werk, welks volvoering van eene zoo uitstekende algemeene nuttigheid zoude zijn. «Staatsmannen, krijgslieden, administrateurs, «geleerden, een iegelijk, aan wien de toegang tot de kaart versieend wordt, zal zonder zijne kamer te verlaten, de oppervlakte «van het Rijk kunnen overzien en alle de merkwaardigheden «van den bodem kunnen leeren kennen, even getrouwelijk als «ware hij op de plaats zelve. Er is geen tak van het Landsbe»stuur, dewelke geen gewichtige voordeelen van de kaart zal «kunnen trekken.»

Inmiddels werden er ook van Regeeringswege informatiën ingewonnen bij den uitvinder der steendrukkunst, Sennefelder, en zijne hulp ingeroepen bij de oprichting van een litographisch etablissement en bij het geven van onderricht in die kunst ten einde kaarten, plannen en andere gegevens te kunnen reproduceeren. In 1826 werden de eerste kaarten op steen overgebracht en de resultaten van militaire verkenningen en opnemingen gedrukt, waarvoor vroeger eerst de kopergravure gediend had.

Gebruik makende van de driehoeksmeting van den generaal Kraijenhoff en de grondplans van het kadaster werd van af het jaar 1841 de verkenning van ons land op de schaal van 1 : 25,000, beginnende met Noord-Brabant en Limburg, onafgebroken voortgezet; volgens de minuten dezer verkenning werd met het proefblad Breda, op de schaal van 1 : 50.000 in steengravure reeds in 1845 een aanvang gemaakt, terwijl in 1850 de eerste bladen verschenen.

De Vereeniging m Burgerlijke Ingenieurs stelt zien in geenen deele verantwoortleliïï: voor 4e denkoeelden in 4e onderscneidene bijdragen ontwimid of toegelicnt.

Het werk werd onder de leiding van den kolonel Goffin' en later onder die van den generaal-majoor Besier met veel kracht voortgezet, zoodat reeds in 1863 het laatste blad het licht zag.

Hoe voortreffelijk de inrichting van deze kaart ook moge zijn, al spoedig bleek, dat zij voor den waterstaat van ons vaderland met name van het polderland, niet datgene gaf wat noodig is voor het ontwerpen en beoordeelen van plannen voor groote werken.

De gesteldheid van het terrein en voornamelijk de afwatering is dikwijls zoo ingewikkeld, dat het moeilijk was eene behoorlijke bekendheid te verkrijgen, zonder voorafgaande raadpleging van een aantal werken, van welke vele meestal niet onder het bereik van particulieren zijn.

Op blz. 46 van Mil. Studiën I. Mil. Inundatiën, zegt Dr. T. J. Stieltjes dan ook «het is te verwonderen hoe slecht b.v. de «toestand van polderland bekend is en welke verkeerde oordeel»vellingen men daarover hoort zelfs van technische personen, bij »wien men meer kennis van die zaken zou mogen verondersstellen»; terwijl A. van Egmond in zijne Beschrijving van den Waterstaat van Rijnland de klacht doet hooren : «wij gelooven »dan ook niet te veel te zeggen, wanneer wij beweren dat «omtrent den toestand van ons vaderland, ten opzichte van het «water, bij velen een volslagen onkunde heerscht, bij een nog «grooter getal eene zeer oppervlakkige kennis bestaat».

De reden daarvoor ligt voor de hand; het is ook hier weder «onbekend maakt onbemind».

Om in die leemte te voorzien zou het zeer wenschelijk zijn eene kaart te hebben, op welke de gesteldheid van Nederland, ten opzichte van deszelfs waterstaat duidelijk was voorgesteld.

Een eerste schrede op den weg om tot dit doel te geraken is het voorstel van bovengenoemden heer Van Egmond in de vergadering van 11 Juni 1863 van het Kon. Instituut van Ingenieurs.

Volgens de toelichting zouden op eene dergelijke kaart met duidelijk sprekende kleuren moeten zijn aangeduid :

1°. de grenzen van de waterschappen of van de landstreken, die een of meer gemeenschappelijke punten van waterloozing hebben ;

2°. de punten waar die waterloozingen plaats hebben, benevens de laagste, middelbare en grootste hoogten ten opzichte van het Amsterdamsche peil, zoowel van het boezemwater van die streken, als van de zee of rivier ter plaatse waar de waterloozingen plaats hebben ;

3°. de polders binnen de hiervoor bedoelde waterschappen of landstreken, met verschillende kleuren naar gelang van de hoogten hunner zomerpeilen, beneden de middelbare hoogten van de boezemwateren of van de wateren, op welke die waterschappen of landstreken uitwateren.

Voor die gedeelten van ons land waar geen ingedijkte gronden zijn, zouden de rivieren, kanalen en riviertjes of beken, zoo duidelijk mogelijk op de kaart moeten worden aangeduid, met de hoogten van de waterstanden met betrekking tot het Amsterdamsche peil op verschillende punten, benevens de grenzen van het gebied, dat op die rivieren, kanalen of beken afwatert.

Een en ander zou door eene korte beschrijving kunnen worden toegelicht.

Het verzamelen van de noodige gegevens voor de samenstelling