is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 21, 21-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE

13e Jaargang.

INGENIEUR.

Orgaan

269

1898. -12 21.

VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

W11UM ccewijfl aan ii tectoM bi iB tBconomiB m Oimiarc Wurtm b MirnrMi.

Prils ner Jaargang:

Franco per post.

Voor Nederland; f 8-"~

Voor het Buitenland met vooruitbetaling , . - 10.50 Voor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs

worden bovenstaande pryzen met / 2.—verminderd. jVIen abonneert zich voor een jaargang. Over het bedrag der abonnementen in Nederland

wordt halfjaarlijks door de Administratie beschifet. Af'.onderlUfee nummers 20 cents. — Bewijsnummers

10 centB.

Verschijnt ellen Zaterdag.

Abonnementen, stukken en mededeellngen, boeken brochures, enz. te richten aan de Redactie: Scheveningsche Veer no. 7, te 's-Gravenhage.

Advertentién uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags intezenden aan de Directie en Administratie van dit Blad, Paveljoensgracht No. 19, te 's-Graverihaere.

Hoofdvertegenwoordiger voor Nederland: C. W. BETCKE, Advert.-Bureau, Botterdam.

Afzonderlijke Nummers worden, voor zoover de voorraad strekt, alléén aan Abonnés geleverd.

's-Gravenhage, 21 Mei.

Prijs ier Advertentién:

Per regel f 0.25^

Groote letters naar plaatsruimte.

Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

B(j eene eerste plaatsing van annonces voor Aanbestedingen is de prijs per regel ƒ 0.15; bij eene tweede en meerdere plaatsing van dezelfde annonce ƒ 0.10.

Bij abonnement op Advertentién wordt het blad gratis toegezonden.

Verantwoordelijk Redacteur: J. van Heurn, Civ.-Ing., 's-Gravenhage.

INHOUD.

^ertunTg^^

_ Benoemingen en verplaatsingen. — Open betrekkingen.

De regeling der bevordering bij het korps ingenieurs van den Waterstaat.

n-flr-SLffrirW bovenstaand opschrift komt in n°. 40 van den iaarcan°- 1893 van dit Weekblad eene beschouwing <iÊ&\ voor naar aanleiding van den bij de Staatsbegrootmg <PP^s> voor 1894 voorgestelden maatregel om een ingenieur 3e klasse na 12 jaren dienst te bevorderen tot de 2e klasse, en een ingenieur 2" klasse na 20 jaren dienst tot de l8 klasse.

Bedoelde beschouwing strekte om in het licht te stellen, dat billijkheidshalve in die richting een stap verder moest worden gezet door te bepalen, dat de bevordering tot de 2e klasse zou plaats hebben na 9 jaren dienst en tot de 1° klasse na 18 jaren

dl<Nu ' de bij de begrooting voor 1894 aangenomen regeling 4 jaar heeft gewerkt, schijnt het oogenblik geschikt te mogen worden geacht om het effect daarvan na te gaan.

Zoover uit de beschikbare gegevens is kunnen worden opgemaakt, is de maatregel toegepast op 4 of 5 ingenieurs der 2e klasse en op 2 ingenieurs der 3e klasse, doch, met uitzondering voor één ingenieur der 2» klasse, werd de bevordering voor allen minder dan een jaar en voor de meesten slechts enkele maanden er door bespoedigd.

Hoewel goed bedoeld, heeft de maatregel dus slechts een bescheiden resultaat gehad. _ .. .

Lettende op hetgeen voorkomt in de M. v. T. tot de btaatsbegrooting voor 1894 (zie dit Weekblad, jaargang 1893, n°. 44) mocht van den besproken maatregel reeds geen groote verwachting worden gekoesterd. Immers volgens het aldaar medegedeelde had in de laatste halve eeuw de bevordering plaats : tot ingenieur 2» klasse na 3'/2 a 14 jaar en , » le » » 12»/, a 23»/, »

Door de bevordering tot genoemde klassen te stellen na resp 12 en 20 jaar, kon de ingevoerde regeling slechts van bescheiden gevolg zijn, daar de aangenomen grens yèr voorbij het middencijfer is gelegen, dat voor de bevordering tot de 2e klasse + 8 jaar en tot de 1* klasse ± 17«/j jaar aanwijst.

De trasF gan°- der promotie, zooals vroeger is aangetoond, o. a. door Practicus in n°. 47, jaargang 1892 van dit Weekblad, heeft zich vooral na de reorganisatie van 1881 doen gevoelen.

Om dit in het licht te stellen, is het noodig om onderscheid te maken tusschen de promotie vóór en na 1881.

Daarbij zullen de jaren 1877—1885 buiten beschouwing worden gelaten, waarin trouwens slechts twee bevorderingen tot

de le klasse en even zoovele tot ae piaaib uauugh, «wh

feit op zich zelf reeds op den abnormalen toestand wijst, die in die jaren intrad.

De bevordering dan had plaats:

In de jaren 1857-1876 en 1886-1892

, ... ( na 12 a 19 jaar I na 18 a 23'/2 jaar tot de le klasse j gemidd_ na 16 » j gemidd. na 20 »

k . „ V, (na 3V2 a 10 jaar l na 10 a 14 jaar tot de 2° klasse ( gemidd.na6i/2 » j gemidd. na 12>/2 »

Sedert 1881 is de promotie tot de le en tot de 2e klasse gemiddeld resp. 4 en 6 jaar vertraagd, en dit niettegenstaande in de jaren 1887-'90 door sterfgevallen en onverwachts verlaten van den dienst een 6-tal plaatsen in den rang van hoofdingenieur en ingenieur le klasse openkwamen.

De verbetering der bezoldiging door de reorganisatie van 1881 ging dus voor een groot deel verloren door vertraagde bevordering, en dit lag destijds toch zeker niet in de bedoeling!

Welsprekender dan de cijfers, medegedeeld bij de begrooting voor 1894, zijn de bovenstaande, maar tevens blijkt daaruit, dat de billijkheid dringt tot een tweeden stap op den toenmaals ingeslagen weg. ,

De regeling van 1894 beoogt de bevordering tot de le en de 2e klasse na 20 en 12 jaren dienst, zijnde zonder merkbaar verschil juist het middencijfer dat over de ongunstige jaren 1886—1892 werd verkregen, doch dat middencijfer is hooger dan het maximum, dat vereischt werd om m het aan de reorganisatie van 1881 voorafgegaan 25-jarig tijdperk dezelfde rangen te bereiken.

Houdt men dit in het oog, dan zal het niet meer verwonderen, dat het resultaat der regeling van 1894 zoo bescheiden was, doch dan zal men ook toestemmen, dat de billijkheid vordert om de aangenomen limieten van 20 en 12 jaar terug te brengen tot — of iets beneden — het maximum, voorgekomen in het aan de reorganisatie van 1881 voorafgegaan 25-jarig tijdperk. Eene limiet van 17 of uiterlijk 18 jaar voor de bevordering tot de le en van 10 jaar voor de bevordering tot de 2e klasse schijnt, ook in verband met het verleden, alleszins rationeel.

Te meer dringt de billijkheid daartoe, omdat de hoofdingenieursrang, die tot voor weinige jaren op 45- a 48-jangen leeftijd werd bereikt, in het vervolg eerst na den 50-jangen leeftijd zal kunnen worden verkregen.

Aan het tegenwoordig Hoofd van het Departement, dat hulde verdient voor den eersten stap om tot eene billijke regelmatigheid bij de bevordering te geraken, zij deze zaak opnieuw in welwillende aandacht aanbevolen !

X.

Engelsche opinie omtrent basisch staal. (i

Bovengenoemde meening wordt door den Ing. Cabl Poech te Trzvnietz aldus besproken: , , .

Dat op het vasteland, bij het winnen van goed basisch

~7l7zie7^Tïngenieur. 13 Jaarg. no. 17, 23 April 1898, blz. 214.

De vereenisine yan Biromb Ingenieurs stelt ïicn in geenen deeie verantwdelilï voor de dentteeto in de onderscneidene Mldragen ontwiïKeld ol toepMt.