is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

139

Het duurde nog geruimen tijd eer de Indische regeenng ernstig een vernieuwd onderzoek instelde, of wil men liever steunde, omtrent de nog altijd open vraag: of op Timor het delven van koper met voordeel zou kunnen gedreven worden. De mineraloog F. von Sommer, een Duitscher, was het die in '48 die kwestie weder aan de orde bracht, doch, zooals wij uit het opstel van prof. Veth „Het eiland Timor" hebben kunnen opmerken, het zou spoedig blijken, ook nu weder zonder eenig dadelijk gevolg.

In 1861 was in Portugeesch Timor ook de koperkwestie weder eens ernstig onder handen genomen en zooals Wallace ons mededeelt1), ook daar zonder gunstigen uitslag. Is het hieraan toe te schrijven, doch zeker is het dat die mineralogische rijkdommen van Timor, na de zeer gevoelige teleurstellingen door een Engelsche onderneming bij die gelegenheid ondervonden weinig meer de aandacht der regeering hebben getrokken, althans in de koloniale verslagen blijkt hiervan mets. Zooals wij vroeger ook reeds opmerkten werden wel in 7o, door Chineesche kolonisten onderzoekingen naar goud en door een Engelsen mijnbouwkundige naar het aanwezen van kopererts op Timor ingesteld % maar niet van regeeringswege.

Is deze onthouding nu reeds gerechtvaardigd? Hebben de onderzoekingen naar de mineralogische rijkdommen van Timor voldoende aangetoond dat noch goud, noch kopererts m genoegzame hoeveelheid daar worden aangetroffen om een ontginning op behoorlijke schaal, te wettigen? Ook na een zeer nauwgezette overweging van de geschriften die wy daarover hebben kunnen raadplegen, zouden wij niet gaarne een besliste uitspraak doen en dat vooral ook daarom met, wijl het ons is gebleken dat de wetenschappelijke mannen, wien een gezet mineralogisch onderzoek op dat eiland werd opgedragen, hetzij door een ontijdigen dood, hetzij door andere omstandigheden

1) Zie „The Malay Archipelago" Volume, I. p. 300.

2) Zie 3e Stuk blz. 8.