is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

gij u daarbij bepaalt, ontvangt gij korte maar ter zake dienende en voldoende antwoorden. Maar doe eens een sprong buiten dien kring; spreek eens over hetgeen er aan die inrichting ontbreekt, over hare toekomst, over hare zedelijke waarde .... Wat ? Wat is dat ? Wat zegt hij daar ? Dat is zeker een rijk man, of een groote babbelaar, daar hij iemand vragen doet over zaken bij welker kennis hij volstrekt geen belang heeft. — Vooral omtrent vreemdelingen, die gewoonlijk nieuwsgierig zijn en meer vragen dan op het programma staat uitgedrukt, zijn de Engelschen op deze laatste manier lakoniek. Hoe veel reizigers verlaten dan ook het land niet met het denkbeeld, dat ze voor Engeland te verstandig zijn! En dat is toch in het geheel het geval niet: want zoo er een al te groot laconisme bestaat, er zijn aan den anderen kant niet minder vragers, die hunne vragen noch weten te bedwingen, noch duidelijk op te geven. Misschien behoorde ik onder dezulken. Zoo ja, dan kan in dat geval mijn kort verhaal tot eene les strekken voor hen, die de kunst niet beter dan ik verstaan om buiten 's lands bescheiden en verstandig te wezen.

Vooreerst dan had ik mij, — ten einde de menschen, die mij de speldenfabriek en het krankzinnigenhuis moesten laten zien, niet voor een zondvloed van letterkundigen onzin te doen schrikken, — noch als professor noch als letterkundige laten aanbevelen: twee titels toch die hen op de vlucht zouden hebben gejaagd, behalve nog die van Eranschman, welken zij maar middelmatig waardeeren, in weerwil van hun bondgenootschap. Ik was al verder vast van voornemens om mij zeiven goed in acht te nemen. Immers, ging ik aan menschen, die met bezigheden overstelpt waren, een weinig van hun tijd ontrooven; en zoo de Engelschman zoo gierig is op zijn tijd, bij welken te hooren hij eenig belang kan hebben, hoeveel te meer moet hij het dan niet voor een nieuwsgierigen wezen, dien hij als een dief van zijn tijd zou wegjagen, zoo de kracht der burgerlijke beleefdheid hem niet dwong om er een gedeelte van voor niet weg te geven. Ik had mij dus