is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; B. Bouw-en Waterbouwkunde, 1929, no 49, 07-12-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7~ER DE INGENIEUR NTER

B. BOUW- EN WATERBOUWKUNDE 17.

INHOUD: Het ontstaan en de inpoldering van den Zuidhollandschen Biesbosch, door ir. A. G. Verhoeven. — Boekbespreking: Ir. J. E. de Meyibr. De Technische vraagbaak, door ir. C. Franx. — Korte technische berichten: De grondverschuivingen in Rosengarten bij Frankfort (Odcr). De hangbrug Keuten-Mülheim. Het theater Pigalle te Parijs. Demontage van twee groote hangbruggen.

Het ontstaan en de inpoldering van den Zuidhollandschen Biesbosch

door

ir. A. G. VERHOEVEN,

ingenieur der Rijksdomeinen in Zeeland.

Ligging en beteekenis van de Zuid-Hollandsche of Groote Waard vóór 1421. — Machtspositie van Dordrecht in deze streek. — Inundatie van de Zuid-Hollandsche of Groote Waard en ontstaan van den Biesbosch. — Vorming van het Dordtsche eiland. — Plannen voor het omkaden en indijken van gedeelten van den Zuid-Hollandschen Biesbosch (tusschen 1900 en 1924). — Ingrijpen van de gemeente Dordrecht en toepassing van den Zevenden Titel van de Onteigeningswet. — Oprichting van de Vereeniging ,,De Biesbosch" op 26 Juli 1924. — Samenstelling en doel. — Opmaken in 1924 van het uitgevoerde plan voor het indijken ca. van den nieuwen Biesboschpolder.— Richting en vorm der dijken. — Wijze van uitwatering. — Wegen en havens. — Uitvoering: opbouw der dijken, afsluiting der hoofdgeulen, bouw van de uitwateringssluis, aanleg en verharding der wegen, enz. — Kosten der

werken. — Werkverschaffing.

Ligging en beteekenis van de Zuid-Hollandsche of Groote Waard voor 1421. Machtspositie van Dordrecht in deze streek. Ontstaan van Den Biesbosch.

Tot de grootste landverliezen, door stormvloeden in den loop der eeuwen in het deltagebied van onze groote benedenrivieren veroorzaakt, is voorzeker te rekenen het ten ondergaan van de Zuid-Hollandsche of Groote Waard bij den vloed van 18 November 1421. Ingrijpende veranderingen, niet alleen voor het oogenblik doch ook voor de toekomst, grepen toen plaats in den waterstaatkundigen toestand van dit deel van ons land. Vóór de inundatie toch lag hier een oppervlakte van meer dan 40.000 ha, die in waterstaatkundigen zin een eenheid vormde, n.1. de streek, welke begrensd werd in het noorden door den Merwededijk van Woudrichem af tot aan Dordrecht, ten westen door den dijk van Dordrecht af tot aan Strijen, in het zuiden door den dijk van Strijen af tot aan Geertruidenberg, door den zuidelijken Maasdijk tot aan de Zijdewinde, door de Zijdewinde en door den bezuiden Sprang, Besoijen en Drunen gelegen Heidijk en in het oosten door den Westelijken Maasdijk van den Heidijk af tot aan Woudrichem (zie fig. 1).

De Landen van Heusden en Altena vormden het oostelijk gedeelte van dit gebied, terwijl het overige meer in het bijzonder bekend stond onder den naam van de ZuidHollandsche of Groote Waard, tot welke laatste onder meer behoorden de Dordrechtsche Waard benoorden de Oude Maas en de Dubbel en de Tijsselens Waard tusschen de Oude Maas en de Dubbel. De waterstaatkundige eenheid van dit geheele gebied dagteekende van omstreeks 1270, want blijkens de bekende onderzoekingen van ir. J. C. Ramaer i) waren in dat jaar de westelijke dam in de Oude Maas en de dam in de Dubbel gemaakt. Volgens A. A. Beekman 2) geraakte in de tweede helft der dertiende eeuw de bovenmond van den Maastak bij Hedikhuizen afgesloten, hetzij door natuurlijke verzanding alleen, of door kunstmatige afsluiting, nadat hij weinig water meer trok, waarna de Maas werd afgesloten door den westelijken Maasdam ter plaatse van het tegenwoordige dorp van dien

j) j. C. Ramaer: Geographische Geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen, opgenomen in de Verhandelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, deel II 1899, blz. 25.

2) A. A. Beekman, Polders en .Droogmakerijen 1909, blz. 266.

naam. Al de omringdijken waren zee- of rivierwaterkeerende dijken met uitzondering van den z.g. Heidijk, welke diende tot keering van het heidewater en nog lang voor dat doel in stand is gehouden.

Wij vinden daaromtrent toch nog uit de zestiende eeuw vermeld: 3)

Daer rammen vele cleijne beeexkens geloopen van boven uuijtte grauwe heijde nederwaarts nae de zeewateren, enz. Welcke beeexkens oft waterloopkens groot water bijbringen ende staen ende vergaeren in de bedijekte landen, principalijck op stormen ende onwederen als de sluijsen toestaen moeten, soodat een lant een derden deel daerdeur erger is, want een grauwe heijewaetere en is niet dan een schreijwater. Te Sprange, te Druijnen ende Besoije in de Langestraet treckt men de stormclocke alst heijewater met vehementicheijt een eleijn diexken wil overloopen, dat daertoe gemaeekt is omme thcijewaeter van heuren corenlande ende bemde te keeren ende te schutten met fortsen.

Nadat nu de Zuid-Hollandsche Waard en de Landen van Heusden en AJtena binnen een omdijking waren gebracht, was het voor de Hollandsche graven met het oog op de veilige ligging van het binnen deze omdijking gelegen gedeelte van het graafschap van belang, dat de dijken zorgvuldig konden worden onderhouden. Het toezicht echter was in verschillende handen; zoo was dit voor de Waarden opgedragen aan de dijksbesturen, terwijl de heeren van Heusden en Altena het beheer voerden over de dijken in hun heerlijkheden. Ramaer schrijft het dan ook hieraan toe, dat van Floris V af de Hollandsche graven hun oog gevestigd hielden op Heusden 4). Toch werd volgens overeenkomst van 12 Februari 1273 vanwege de ZuidHollandsche Waard schouw gehouden over den geheelen Heusdenschen Maasdijk 5), maar blijkbaar was het niet mogelijk steeds met het noodige gezag op te treden. Zoo benoemde Albrecht van Beieren op 14 November 1375 Jan II van Polanen en Daniël IV van de Merwede tot zijn stadhouders van de Zuid-Hollandsche Waard om de dijksbesturen in zijn dijkrecht te sterken 6). Het is trouwens geen wonder, dat het dijksonderhoud bij het toen in zwang zijnde stelsel veel te wenschen overliet, want dit berustte bij de grondeigenaren, zoodat aan uniformiteit in het

3) Anbries Vierlingii, Tractaat van dijekagie, uitgegeven door dr. j. de Huli-a en ir. A. G. Verhoeven, 's-Gravenhage 1920. blz. 96.

*) Ramaer, Geogr. Gesel), enz., blz. 247.

'") a.w. blz. 241.

6) a.w. blz. 29.