Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 48 - 1925

1028

TER HERDENKING.

t Ir. B. A. P. van de Loo.

Den loden Mei 1925 overleed te Eindhoven Remi Anton Paul van de Loo, geboren aldaar 20 April 1885. Hij verkreeg in 1913 aan de Technische Hoogeschool te Delft het diploma van werktuigkundig ingenieur, en werd geplaatst als ingenieur bij de Esslinger Maschinenfabrik, Abteilung Elektrotechnik, te Camistadt-Stuttgart. Sedert 1924 was hij ingenieur bij de Gemeentebedrijven te Eindhoven.

Hij behoorde sedert 1914 tot de leden van het Kon. Instituut van Ingenieurs.

i H. J. C. Haver.

Den 28sten Juni 1925 overleed te Amsterdam Hbnri Jban Corneille Haver, oud-lid der firma L. N. Alta.

Hij werd geboren te Sparenclam, 30 April 18G2 en trad in 1879 in dienst van de firma W. C. & K. de Wit, aanvankelijk als teekenaar, en klom op tot chef van de teekenkamer.

In 1889 ging hij over bij de firma Groeneveld Poll & Co: en in 1895 mij de firma P. Stieltjes & Co. Hij bleef daar tot 1899 en werd toen lid van cle firma L. N. Alta.

Al deze firma's waren te Amsterdam gevestigd, waar hij dan ook zijn geheele werkzaam leven heeft doorgebracht.

In 1899 trad Haver bij de fusie als lid der Nederlandsche Vereeniging voor Werktuig- en Scheepsbouwkundigen als gewoon lid tot het. Kon. Instituut van Ingenieurs toe.

+ C. Tückhrmann.

Te Daros overleed 2 September 1925 Carejl Tückhrmann. Hij werd geboren te Batavia 24 Januari 1900, en studeerde aan de Technische Hoogeschool voor civiel ingenieur. Met het begin van het jaar 1925 werd hij buitengewoon lid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Hij woonde te Voorburg op Nieuw Westerbro bij Mejuffrouw Margaretha Meijboom. Daar werd hij plotseling' ernstig ziek en vertrok eenige maanden geleden naar Zwitserland. Maar de verraderlijke ziekte heeft hem te Davos gesloopt.

Tückhrmann was een buitengewoon fijn besnaard en nobele jonge man. Studiegenooten verloren in hem een goed vriend, hij was voor vele van hen een groote moreele steun. Zóo jong als hij uit het leven moest scheiden, liet hij een groote leegte achter. Ir. E. A. van Sandick.

BOEKBESPREKING.

Door de lucht naar Indië, door A. N. J. Thomassen a Thukssink van der Hoop. — Amsterdam. Scheltema en Giltay.

De bibliotheek van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs werd door het Comité Vliegtocht Nederland-Indië verrijkt met het hierbovengenoemde boekwerk.

De heer A. N. J. Thomassen a Thuessink van der Hoor geeft daarin een zeer lezenswaardige beschrijving van zijn interessante vloegtocht naar Nederlandsch-Indië, en verlucht dit 342 bladzijden tellende, forsche boekwerk, met een massa meestal zelf opgenomen, schitterende fotografiën en een serie étappekaarten van de landstreken waarover gevlogen werd.

Bij de lezing' blijft cle aandacht voortdurend gespannen en het is moeilijk uit te maken wat men in den schrijver het meest bewonderen moet. Men leert hem namelijk kennen als een uitstekend organisator, die de vliegtocht uitnemend wist voor te bereiden, als een kranig sportsman die ondanks tegenspoeden de vlucht tot een goed einde wist te brengen, en als een aangenaam causeur die zijn lotgevallen op een boeiende, soms eenigszins humoristische wijze wist te beschrijven.

Men leze het echter niet als een voor een tourist bruikbare reisbeschrijving, want hoewel de tocht gedaan werd met een gewoon verkeersvliegtuig en de verwachting uitgesproken kan worden dat binnen eenige jaren deze route door touristen gemaakt zal worden, was deze eerste tocht verre van een pleizierreisje. Men geraakt bij de lezing zeer sterk onder de impressie dat het moedige drietal vliegeniers met dezen tocht een groot waagstuk ondernam, en dat hun leven dagelijks aan een zijden draad — den motor — hing. Beeds in den aanvang noemt Van der Hoop trouwens zelf de vlucht: een gokje op den motor.

Bijna op elke bladzijde komt het woord „noodlanding" voor

en de vliegeniers hebben op hun vlucht de landstreek, waarboven zij zich bevonden, feitelijk steeds beoordeeld op de mogelijkheid van een noodlanding en de kans daarbij het. leven er af te brengen. Boven de bosschen tusschen Medan en Muntok wijken zij af van den regel om hoog te vliegen, ten einde dan bij een gebrek aan den motor langer tijd te hebben in glijvlucht uit te zien naar een noodlandingsterrein, omdat dit aldaar ten eeneu male ontbrak en men in zulke gevallen de spanning vóór het breken van zijn nek, maar liever bekort door laag te vliegen en zoodoende althans iets van het terrein beneden zich zien kan.

Van meerdere, bij het uitzetten van den tocht reeds aangewezen landingsterreinen, waar telkens een dagvlucht eindigen zoude, was bekend dat zij voor een verkeersvliegtuig groote gevaren zouden opleveren, en de landing en vooral de mogelijkheid van weder opstijgen was dan ook herhaaldelijk een dubbeltje op zijn kant. Zoo was dagelijks een groote mate van vliegkunst, moed en optimisme noodig om den tocht tot een goed einde te brengen, en zeker leverde het weder opstijgen en vertrek van Philippopel met een geheel nieuwen en in. i. nog onvoldoend beproefden motor daarvan een sterk bewijs.

Aan het slot geeft schrijver een nadere uiteenzetting van het doel, dat bij dezen vliegtocht voor oogen stond, en van de mogelijkheid dit, hetzij met behulp van gewone landverkeersviiegtuigen, dan wel met watervliegtuigen, te bereiken, en van de voordeden welke men in Nederlandsch-Indië met invoering van geregelde vliegdiensten ter bekorting van reisduur in dat uitgestrekte gebied en voornamelijk voor het overbrengen van de post verwezenlijken zal.

Wat dit laatste betreft, liet reeds de helaas, op zijn laatste i ballonluchtvaart verongelukte, luitenant ter zee A. E. Rambaldo eenzelfde geluid hooren toen hij in 1910 concessie vroeg voor het vervoer met vliegtuigen van reizigers en post tusI schen de voornaamste plaatsen in Nederlandsch-Indië.

Moge het Comité Vliegtocht Nederland—Indië thans, nu de tijd er rijp voor schijnt en het kranige drietal bewezen heeft dat het vliegen naar Nederlandsch-Indië geen utopie meer genoemd kan worden, spoedig de vruchten van den welgeslaagden tocht plukken.

Generaal C. J. Snijders schreef als voorzitter van genoemd Comité de voorrede. Zijn Excellentie wijst daarin uitdrukkelijk op de groote voordeelen, welke er voor Nederland gelegen zijn in het bezitten van een geregelden dienst op onze overzeesche bezittingen en dat de kans om Nederlandsch-Indië te maken tot een onmisbaren schakel in het luchtverkeer in Oost-Azië en Australië niet verloren mag gaan, en dat daar voor een vooruitziende Begeering van Nederland en Nederlandsch-Indië een taak van de grootste beteekenis en van dringende urgentie ligt. Ir. J. J. Stieltjes.

Levensbericht van Henki Edüard Beunke, door Mej. dr. H. C. M. Ghijsen.

In de Levensberichten van de Maatschappij der Nederland■sche Letterkunde 1924—'25 vinden wij een merkwaardige necrologie van ir. H. E. Beunke, waarvan de schrijfster een overdruk aan de Instituutsbibliotheek aanbood. Naast de sympathieke levensbeschrijving van de hand van dr. ir. G. W. van Hetjkelom, die verscheen in Be Ingenieur 1925, No. 10, is de arbeid van mej. dr. Ghijsen uit Domburg lezenswaardig, omdat zij aanvult, en Beunke meer van den literairen kant beziet.

Het is ons echter nog niet verklaarbaar, hoe het komt, dat Beunke, wiens geest als student te veel in literaire richting was georiënteerd om de technische studie aan de Polytechnische School met geestdrift te volgen, toen hij eenmaal, door zeldzame volharding en zelfverloochening, zijn ingenieursstudie zeer goed had voleindigd, het literaire element zoo grondig op den achtergrond heeft willen en kunnen dringen. Het was wellicht een zelfonderschatting van zijn letterkundigtalent, dat toch inderdaad hooger reikte dan hij zelf meende.

Ir. E. A. van Sandick.

Sclieepsolieniotoren. Samengesteld voor de Vereeniging van Scheepswerktuigkundigen door ir. H. W van Tijen, ingenieur bij de Kon. Mij „De Schelde", met medewerking van J. M. Jansen, hoofdmacbinist bij den Rotterdam schen Lloyd. — Met 278 afbeeldingen en 4 uitslaande platen. 4e druk. Deventer 1925. M E. Kluver.

De schrijver heeft aan dit boek bij den nieuwen druk een belangrijke uitbreiding gegeven, wat met het oog op de ont-

Sluiten