Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Januari 1918

bant _ diep onder den beganen grond weervindt, De jaarlijksche tak- en bladafval bleef op den bodem dier oerwouden liggen en veranderde daar, onder invloed van scheikundige en microbiologische factoren, in humus. Tal van riviertjes en beken doorstroomden de bossehen, ze bij tijd en wijle plaatselijk onder water zettende, de humuslaag met zand en slib overdekkende. Zoo werd de humus van de lucht afgesloten en onderging een proces, hetwelk wij verkoling noemen, en waaromtrent ons een nauwkeurige kennis nog altijd is ontzegd. Wat wij weten is, dat uit de oorspronkelijke houtsubstantie waterstof en zuurstof ontwijken en de koolstof derhalve relatief rijker wordt. Dit blijkt, als we de procentische samenstelling van houtvezels enz. nagaan. Zoo bevat:

Koolstof Waterstof Zuurstof Stikstof

Houtvezel.... 50 6,5 41 2,5

Turf 59 6 33 2

Bruinkool .. 69 5,5 25 0,5

Steenkool.... 82 5 12 1

Anthraciet .. 95 2.5 2 5

Berekent men uit deze tabel, hoeveel deelen waterstof en. zuurstof op 100 deelen koolstof voorkomen, dan verkrijgt men de volgende waarden:

Koolstof Waterstof Zuurstof Houtvezel.... 100 13 86

Tllrf 100 10,2 56

Bruinkool 100 8 36,2

Steenkool.... 100 6,1 14^6

Anthraciet .. 100 2,6 2'6

Hoe wij ons een zoodanige met moeraswouden overdekte landstreek, met haar traag stroomende rivieren, wier water zwart gekleurd is door den uiterst fijn verl deelden humus, hebben te denken, leeren ons de „Cypress-Swamps" in den Noord-Amerikaanschen staat Zuid-Carolina, welke moerassen in veel opzichten herinneren aan de bruinkool-moerassen uit den geologischen voor-tijd.

_ Deze bruinkool nu vormde zich in Nederland in een tijdsafdeeling uit de Aardgeschiedenis, die wij aanduiden met den naam Tertiair, de derde in de rij, welke met het Primair aanvangt en met het Kwartair, aan welks eind wij thans staan, afsluit. Gedurende dit Tertiair ontstonden deze lagen, die nu eindelijk en ten langen leste de aandacht getrokken hebben, die ze reeds sinds lang overwaard waren. Sinds lang, zoo schrijven wij, want reeds in 1849 had de beroemde Belgische geoloog André Dumont hen bij Eolduc gezien, in 1859 vermeldde ze Van den Binkhorst, in zijn „Geologie van Zuid-Limburg" en in 1860 schreef de groote Nederlandsche geoloog Staring in zijn standaardwerk „De Bodem van Nederland", dat „onder of in het zand bij het huis Schinnen, bij Hoensbroek, Eygelshoven, aan de Groenstraat of bij Op de Hoeven ten N. van deze plaats, bij Worm en in de groeve Maria Theresia bij Afden, ten Z.-O. van Hertogenrade, beddingen bruinkool liggen", welke „bij Eygelshoven, aan de Groenstraat en bij Afden zoo dik zijn, dat zij de kosten van ontginning goed schijnen te kunnen maken."

Na de oprichting in 1904 van de „Rijksopsporing van Delfstoffen" werd het onderzoek naar het voorkomen van bruinkoollagen krachtig ter hand genomen, door een aantal boringen in te stellen naar hun aanwezigheid. Wat wij n.1. van deze bruinkoollagen aan de oppervlakte tot voor korten tijd konden zien, was voor een leek niet bijster belangwekkend. Noordelijkvan het dorp Heerlen aan de Zuidelijke helling van den Palenberg en in de nabijheid van Rolduc liggen groeven, die uit zuiver wit kwartszand bestaan, waarin blauwgekleurde, eivormige vuursteenen en violette kleilaagjes voorkomen. In dit witte zand nu, hetwelk zich uitstekend leent voor de glasfabricage, komen de z.g. oudere bruinkoollagen voor, die zich van de hierna te noemen jongere bruinkoollagen onderscheiden, doordat de eerste zich beter voor de vervaardiging deibruinkoolbriketten leenen.

Deze jongere bruinkoollagen vinden wij, zoodra wij den zandweg overschrijden, die van het gehucht Rom¬

pen (Rumpen), N. van Heerlen naar het grensplaatsje j AVaubach leidt. Hier vinden wij de zoo uiterst merk- ! waardige Heerlerheide, oen landschap, dat zijns gelijke : in Nederland niet vindt. Op deze heide graaft men j violetgrijze of zwartbruine klei, voor pannen en stee- ! nen uitermate geschikt, en waarin een brokkelige bruinkool optreedt met veel plantenoverbüjfselen.

Wat de oppervlakte niet voldoende te aanschouwen 1 gaf, trachtten de boringen aan te vullen en deze leverden de volgende resultaten:

De oudere bruinkoollagen. Wij verdeelen het gebied, waarbinnen zich deze j lagen bevinden, in de volgende deelen:

I. Het terrein, hetwelk Oostelijk van de lijn Heerier- ! heide-Amstenrade-Geleen ligt en waarop de schachten i der mijnen „Oranje-Nassau" en „Emma" geplaatst zijn.

Hier gaf een boring aan het Oosteinde van het gehucht Hellebroek aan, dat onder een 15 M. dikke laag van klei en zand, wit zand met bruinkool optreedt,

II. Oostelijk van dit gebied, op de heuvels tusschen j het Oostwestelijk loopende dal der Schroetebeek bij j' Heerlerheide en het dal der Molenbeek bij Musschemig j en Husken vond men:

a. benoorden Husken, onder 12 M. klei en zand, 7 M. j bruinkool;

b. aan de Schroetebeek, even beoosten den weg Heerlen-Sittard, onder 5 M. klei en zand, 8 M. bruinkool;

c. Zuidoostelijk der hoeve „Oarisborg" onder klei en zand van onbekende dikte, 8 M. bruinkool;

d. Noordwestelijk dezer hoeve, bij den viersprong, onder klei en zand van onbekende dikte, 5 M. bruinkool;

e. ten Oosten van het kasteel van Amstenrade, aan den weg naar Rompen, onder 24 M. klei en zand, 3 M. bruinkool;

f. onder Merkelbeek, nabij de hoeve „Bovenste Hof", vond men zelfs vijf bruinkoollagen boven elkander, n.1.: Onder

23 M. klei en zand 0,2 M. bruinkool; hieronder volgden

13 „ „ „ „ waarna 0,4 .. „

25 „ „ „ „ „ 4 19 » » » » „ 0,5 „ " 3 „ „ „ „ „ 1 „

III. Oostelijk van dit terrein vond men:

a. bezuiden de schacht der mijn „Hendrik", onder 10 M. veen en zand 1% M. bruinkool;

b. op den Oostelijken oever der Heidebeek (Westelijke zijtak der Roode beek), onder 4 M. zand, 12 M. bruinkool;

c. benoorden deze schacht, onder 30 M. grint en zand, 13 M. bruinkool;

d. in een peelgraving, 150 M. ten Westen van den viersprong, in het gehucht Rompen, onder 6 M. zand, 2% M. bruinkool;

e. bezuiden de hoeve „Het Heufken", onder Bruns- j s«m, onder 9 M. grint en zand, 2 M. bruinkool en ! daarna 1 M. dieper nog eens 4 M. bruinkool.

Gaan wij nu naar het N.-O. gedeelte van Zuid-Lim- j burg, op liet terrein der Heerlerheide, dan vinden wij j hier de technisch wellicht minder bruikbare, z.g. jongere bruinkoollagen, die echter ingesloten zijn in klei, welke o.a. in Hessen voor de steenbakkerijen van zeer veel gewicht is.

De jongere bruinkoollagen. Deze trof men aan:

a. bij het klooster te Kling (Merkelbeek), onder j 10 M. grint en klei, n.1. eerst 3 M. bruinkool met veel j hout, daaronder 5 M. zwarte klei, vervolgens 9 M. bruinkool met een houtlaag van 1 M. en ten slotte j hieronder 9 M. witte klei;

b. Zuidoostelijk van Schinveld aan de Rijksgrens, bij de hove „Hohenbusch", onder 7 M. zand en klei,

3 M. bruinkool, waaronder weer klei, die bruin en • zandig was.

Tot zoover de gepubliceerde gegevens. Of elders in Zuid-Limburg of in andere provincies nog bruinkool ! aanwezig is, is op zijn minst genomen, twijfelachtig, j

Sluiten