is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland jrg 80, 1928, no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN „TRANCHE DE VIE"

notitieboekje zocht en hij haar een kluif-nat potlood-stompje reikte, wist ik zeker, dat ik me niet had vergist. Ze verstond eerst niet het adres.

Hij spelde het voor, zacht, maar nadrukkelijk; ze schreef het woord op, onderwijl nog neen-schuddend met het hoofd.

De ander vroeg: je zult komen, hè? Doe het maar, — kom nu maar, — ik ben toch thuis, deze dagen. —

Hij bracht zijn ongeschoren, goor gezicht dichter naar het hare. Ze fluisterden samen; ze lachte even hoog, kirrend: ik draaide mijn hoofd af.

Deze man was geen film-verleider. De vrouw was niet elegant, of mooi, of buitengewoon aantrekkelijk.

Voor wie die beiden zóó zag zitten, leken het twee vale, grauwe cirmoedsmenschjes, met vale, grauwe armoedslevens; maar deze weinige opgevangen woorden hadden me denzelfden pijnlijken indruk gegeven alsof ik getuige was geweest van een schokkend en hartroerend drama.

Amsterdam. Ik stapte uit.

Nog geen half uur geleden passeerden wij de stad „waar mijn vrouw gestorven is, nog geen maand geleden.

Ik dacht aan deze woorden: „een mensch kan niet altijd verdriet hebben. Ik ben een week lang ziek geweest van ellende, maar waarom zou je blijven treuren?"

Op het perron bleef ik even wachten. De beide anderen stapten nog niet uit: de moed ontbrak me een paar passen terug te gaan en de kale coupé in te kijken.

Onbegrijpelijk is de dood, — maar even onbegrijpelijk is dit leven !