is toegevoegd aan je favorieten.

De Vlaamsche gids; algemeen tweemaandelijksch tijdschrift, jrg 11, 1922-1923, 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roerten staande, bedwingt hij zijn hartstocht en lijdt in stilte voor zijn geloof; op kunstgebied voelt hij zich door de nieuwe schoonheid bezield: hij dwingt ieders bewondering af, door de enkele kracht van zijn loutere dichterlijkheid.

Van hem zijn ons enkele Latijnsche gedichten bewaard gebleven: oden en elegieën, verspreid in dichtbundels van zijn vrienden (89), rouwzangen op hun dood.

Zijn Nederlandsche verzen, die met hun nieuw rhythme en geluid nieuwe hoop wekten, zijn voor ons verloren. Alhoewel wij dit ten zeerste betreuren, verheugen wij ons nochtans in het getuigenis zijner tijdgenooten. Hunne lofprijzingen bewijzen dat het ook in hun eigen ziel aan ’t borrelen w’as, wat een dichter hun voorzong. De kring dezer bewonderaars was natuurlijk beperkt, want er was in de gemoederen nog te veel schuim van opgejaagde hartstochten er was geen berusting en de rijmelarijen der rederijkers hadden het zeker niet vermocht de tijdgenooten vatbaar te maken voor hooger schoonheid in de moedertaal. Daaraan is het te wijten dat die verzen nooit in druk verschenen zijn. Met vereering en liefde bewaarde Justus de handschriften. Het is ons echter niet gelukt te ontdekken waar ze nadien verzeild zijn. Misschien bestaat er toch nog kans het handschrift der eerste Nederlandsche vertaling der «Oden van Anacreon» aan ’t hcht te brengen (90). P. G. Witsen-Geysbeek immers in zijn «Biographisch Woordenboek» (111 61) Frangois Harduwijn’s vertaling der oden van Anacreon gezien te hebben en dit is pas een eeuw geleden.

Het werd den vader van Justus gegund nog den dageraad te zien van het vredestijdperk, gedurende hetwelk het zaad, dat hij uit zijn eenvoudige handen had laten reuzelen, openbloeien zou in een schoone en zuivere veldlelie. Hij overleed te Gent, zes maanden nadat het Twaalfjarig Bestand gesloten was, den 21 Oktober 1609 (91).

Laten wij hier, uit den krans der piëteitsvolle gedichten

(89) «Delitae poëtarum Belgicorum» (Francofurti 1614, 4 dl.) II p. 890-95; «Funus G. Assonlevilii. (Antv. J. Moretus, 1599), p. 30: «In obitum Cl. V. G. d’Assonlevilii... Querela funebris», onderteekend: Franciscus Harduynus moestus canebat (188 verzen) ; «Symbolum Jacobi Monavi» (Gorlicii, 1595), een lofgedicht van 84 v. ; «Basilii seleuciae in Isaari Episcopi «De Vita ac Miraculis D. Theclae... (Ant. J. Moretus, 1608) een ode. In de «Biogr. nat.» wordt nog een Latijnsch gedicht vermeld, gemaakt op den dood van J. B. Triest.

(90) Ongetwijfeld zal de eerste Fransche vertaling der oden, die van R. Belleau, («Les Odes d’Anacreon Teien, traduictes de grec en francais, par Remy Belleau, ensemble quelques petites Hymnes de son inventionj. Paris. André Wechel 1555) aanleiding tot on misschien ook bron van Harduwijn’s vertaling geweest zijn.

(91) Het is ons niet gelukt het testament van Francois H. te ontdekken. Natuurlijk zal zijn bibliotheek ook Justus’ erfdeel geworden zijn.