is toegevoegd aan je favorieten.

De Vlaamsche gids; algemeen tweemaandelijksch tijdschrift, jrg 13, 1924-1925, 1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleiner, maar allen toch gelijk van vorm, breed en plat en log, en zwemmend, zw'emmend...

En tusschén in die groezelige massa zag hij nu bepaald Vina. Lijk in rossig-laaiende zonnesluiers, golfde hare blonde haarweelde breed uit om haren malschen nek, diep ontbloot, en zij bukte zich laag over de griezelige beestenwemeling, zóó laag dat hij de pracht harer blanke borsten zag ronden als bollige wolken aan den hemel. En wringend en wiegend haar mollig lijf nog lager en lager steeds, scheen zij, met wijd uitgestrekte armen en met een valschen lach geheimzinnig tot die massa te spreken.

Vina! Hoe toch kwam zij daar?....

Maar toen zag hij, hoe ginds verder, nu ook de koolbeesten onder de spoorwegbrug kwamen opduiken, eerst één na één, dan talrijker, en kruipend en wentelend door elkaar, en dan dringend en wringend in woest geweld, zoodat de opening aan ’t barsten ging en de brug zelve zakte, zakte. En in steeds grooter aantal altijd kwamen zij te voorschijn, buitelend nu over elkaar en zwemmend in zijne richting toe, zonderling, met afgestompten kop en zonder oogen, lijk blinden tastend naar hun weg...

Een oogenblik stond hij daar besluiteloos, niet wetend wat hij doen zou. Hij voelde toen hoe een plotselinge angst in zijne beenen zinderde en zich als eene duwende hand om zijn harte lei. En die angst groeide, groeide.... Met moeite kon hij zich van de Schelde wegrukken en hij verdween in een zijstraat, haastig, alsof hem iemand dreigend op de hielen zat.

Altijd verder liep hij. En zonderling en vreemd schenen hem de straten toe, en ook de huizen, en de menschen die hij als zonnige schimmen af en toe zag verdwijnen....

Daar stond hij weer voor een water, een breed, grootsch water, dat als een eindeloos zilvervlak tot aan den einder opglimmerde. Hier ook lagen schepen, veel schepen allerhande, met geweldigen romp, waarboven een wriemeling van masten en touwen.

Omdat het klamme zweet nu onophoudelijk van zijn gezicht lekte, tot in zijne mondhoeken, met een smaak van zilt water, hield hij een poosje stil. Hij was overigens vermoeid, o, zoo vermoeid!...

Maar zie, daar begonnen nu ook al die schepen geheimzinnig te bewegen, als werden zij zachtekens gewiegd op het dobbe-