Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoffen, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht, indien de veiligheid van het schip bij een bodem- of zijbeschadiging naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daardoor niet vermindert.

8. Voor een passagiersschip, dat in gevolge artikel 56, onder (d) van het Schepenbesluit, een groter aantal personen vervoert dan er plaatsen in de reddingboten beschikbaar zijn en hetwelk een geregelde lijndienst onderhoudt binnen de begrenzing van een korte internationale reis, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dispensatie verlenen van de eis, dat een dubbele bodem aanwezig moet zijn, voor zover betreft enig deel van het schip, waarvoor de waterdichte indeling is geregeld door middel van een factor, welke niet groter is dan 0,5, indien tot zijn genoegen is aangetoond, dat het aanbrengen van een dubbele bodem in dat deel niet verenigbaar zou zijn met de eisen, welke de algemene inrichting van het schip en een goede uitoefening van de dienst aan boord stellen.

Artikel 23

1. Patrijspoorten, toegangs-, laad- en kolenpoorten en andere middelen om openingen in het scheepsboord boven de indompelingsgrenslijn te sluiten, moeten deugdelijk ontworpen en uitgevoerd en voldoende sterk zijn, rekening houdend met de ruimten, waarin zij zijn aangebracht en met hun plaats ten opzichte van de bovenste indelingslastlijn. Openingen enz. in het scheepsboord en eldersboven de indom pelingsgrenslyn

2. Het schottendek of een daar boven gelegen dek moet dicht zijn tegen weer en wind, met dien verstande, dat er geen water door kan dringen.

Alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde dek moeten van hoofden van voldoende hoogte en sterkte zijn voorzien en van doelmatige middelen, om deze snel tegen weer en wind af te sluiten.

Artikel 24

1. Elk schip moet voorzien zijn van een doeltreffende pompinrichting, welke in staat is elke waterdichte afdeling lens te pompen °nder de na een ramp te verwachten omstandigheden, hetzij het schip recht ligt dan wel slagzijde heeft. Behalve in smalle afdelingen in vóóren achterschip, waar één lensfles voldoende kan zijn, moeten daartoe zuigleidingen naar de zijden aangebracht worden. Lensinrichting, lenspompen en lensleidingen

In afdelingen van bijzondere vorm kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvullende lensflessen voorschrijven. Het water moet gemakkelijk naar de lensflessen kunnen vloeien.

Uit de koelruimen moet het water op doelmatige wijze kunnen Worden verwijderd.

2. Aan boord van een schip moeten ten minste vier op de hoofdlensleiding aangesloten werktuiglijk gedreven pompen opgesteld zijn,

Sluiten