Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(e) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet normale pupilreacties hebben; (ƒ) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal kleurenonderscheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook bij sluiten van één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en groen; (g) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dagof nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.

Bij voldoen aan deze eisen wordt de geneeskundige verklaring B2 afgegeven.

III. Machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan wie de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen.

(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomgeving en hulporganen hebben; (b) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen;

(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig zonder corrigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5 en bij het zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 5/15, dan wel van ten minste 5/6,6 met een der ogen en ten minste 5/20 met het andere oog; indien het niet een eerste keuring betreft, mag de gezichtsscherpte ook met corrigerende glazen worden behaald, mits niet meer dan 3 dioptrieën manifeste hypermetropie aanwezig is;

(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet normale pupilreacties hebben.

Bij voldoen aan deze eisen wordt bij eerste keuring een geneeskundige verklaring B3 afgegeven; bij volgende keuringen hetzij een verklaring B3 hetzij een verklaring B3a.

Artikel 15

Eisen keuring gezichtsorgaan personen na voltooiing van het één en veertigste jaar Bij de keuringen, met uitzondering van een eerste keuring, van het gezichtsorgaan, bedoeld in de artikelen 1 en 2, gelden, indien de belanghebbenden de leeftijd van één en veertig jaar hebben voltooid, de navolgende eisen:

I. Kapiteins, stuurlieden en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen.

(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomgeving en hulporganen hebben; (b) hij moet op een der ogen een onbeperkt gezichtsveld hebben;

(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corrigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/10 en bij het zien met een der ogen op elk oog van ten minste 5/30, dan wel bij het zien met beide ogen gelijktijdig van ten minste 5/15, mits met glazen 5/7,5 wordt bereikt. Wordt 5/30 met één der ogen niet bereikt, dan moet het andere oog zonder een corrigerend glas een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5; aan dezelfde eis moet ook het oog van een éénogige voldoen;

(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken, voor zover zij

Sluiten