Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. wanneer enig deel van de remmen, met uitzondering van die delen, waarvoor zulks, gezien de sterkte en de bevestiging daarvan, redelijkerwijze niet verwacht kan worden, onklaar wordt, met ten minste een der remmen nog steeds ten minste twee wielen kunnen geremd worden, de geremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het motorrijtuig bevinden en voor de in het eerste lid genoemde motorrijtuigen de remvertraging bij gebruik van deze rem niet kleiner is dan zij zou zijn bij gebruik van de in dat lid onder c genoemde andere rem.

Het vijfde lid wordt vervangen door:

5. Bij driewielige motorrijtuigen wordt met betrekking tot het in het eerste lid onder c en in het vierde lid onder b bepaalde een in het symmetrievlak van het motorrijtuig aangebracht wiel gelijkgesteld met twee zich symmetrisch aan weerszijden van het motorrijtuig bevindende wielen.

Het zesde lid wordt vervangen door: 6. De reminrichting moet ook overigens doeltreffend zijn. Het zevende, achtste en negende lid vervallen.

Artikel 75 wordt vervangen door:

Artikel 75. 1. De eisen, waaraan de reminrichting van aanhangwagens moet voldoen, zijn:

a. zij moet in werking treden hetzij door bediening van de bedrijfsrem van het trekkende motorrijtuig, hetzij als gevolg daarvan tijdens het rijden, en wel zodanig dat de wielen van de aanhangwagen gelijk met of eerder dan en in gelijke mate met de wielen van het trekkende motorrijtuig geremd worden; in afwijking van het vorenstaande is het gebruik van een oplooprem toegestaan voor aanhangwagens waarvan het totaal gewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg;

b. zij moet ten minste twee wielen remmen, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden, en rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels, zonder tussenkomst van tandwielen;

c. zij moet zodanig werken, dat de kans op slippen zo gering mogelijk is;

d. zij moet, behalve bij eenassige aanhangwagens, zodanig zijn ingericht dat bij het verbreken van de verbinding tussen het trekkende motorrijtuig en de aanhangwagen de rem van de aanhangwagen vanzelf in werking treedt;

e. zij moet, behalve wanneer de aanhangwagen van een afzonderlijke vastzetinrichting is voorzien, zodanig zijn ingericht dat de rem door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking gebracht kan worden, ook wanneer zij niet verbonden is aan die van een motorrijtuig;

ƒ. zij moet ook overigens doeltreffend zijn.

2. Het bepaalde in het eerste lid onder a, voorzover dit betreft de beperking van het totaal gewicht voor aanhangwagens uitgerust met een oplooprem, alsmede het bepaalde in het eerste lid onder d is tot 1 Januari 1956 niet van toepassing op aanhangwagens, welke voor de inwerkingtreding van dit reglement reeds in gebruik waren en waarvan het totaal gewicht niet meer bedraagt dan 6500 kg.

In artikel 77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Indien één stoplicht aanwezig is, moet dit in het midden of links van het midden van de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht.

Het derde lid wordt vervangen door:

3. Indien twee stoplichten aanwezig zijn, moeten deze op gelijke hoogte en symmetrisch ten opzichte van het midden van de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht.

In het vierde lid worden de woorden „dat zij automatisch worden ontstoken” vervangen door: dat zij tijdens het rijden automatisch worden ontstoken.

Het vijfde lid wordt vervangen door:

5. Ontstoken stoplichten moeten door gekleurd, doorzichtig materiaal achterwaarts een, ook bij dag, duidelijk zichtbaar oranje-geel tot oranje-rood of rood licht uitstralen, dat, indien het stoplicht in het achterlicht is ingebouwd, ook bij brandend achterlicht opvallend is.

Het zesde lid vervalt.

In artikel 78 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

Het eerste lid wordt vervangen door:

1. De richtingaanwijzers moeten zich aan weerszijden van het motorrijtuig bevinden, niet hoger dan 2 m boven het wegdek.

In het tweede lid worden in het gestelde onder a de woorden „aan het uiteinde naar voren en achteren oranje-geel tot oranje-rood licht uitstralen” vervangen door: aan het uiteinde naar voren en naar achteren oranje-geel tot oranje-rood licht uitstralen.

In het tweede lid wordt het gestelde onder b vervangen door:

b. buiten de zijwand van het voertuig, ter plaatse waar zij zijn bevestigd, zijwaarts uitsteken en wanneer zij in werking zijn naar voren en naar achteren oranje-geel tot oranje-rood knipperlicht uitstralen, dat ook bij dag opvallend is, of

c. in of tegen de voorzijde en de achterzijde symmetrisch ten aanzien van het midden van die zijden op een onderlinge afstand van niet minder dan 0.60 m zijn aangebracht en wanneer zij in werking zijn voor het tegemoetkomende verkeer duidelijk zichtbaar wit of oranje-geel tot oranje knipperlicht en voor het achteropkomende verkeer duidelijk zichtbaar oranje-geel tot oranje-rood of rood knipperlicht uitstralen, dat ook bij dag en bij brandend achterlicht duidelijk doet blijken welke richting zal worden ingeslagen.

Een nieuw derde lid wordt ingevoegd, luidende als volgt:

3. Motorrijtuigen en motorrijtuigen met daarachter gekoppelde aanhangwagen, waarbij de lengte van het motorrijtuig of van het samenstel meer bedraagt dan 8 m, welke zijn voorzien van richtingaanwijzers als bedoeld in het tweede lid onder c, moeten bovendien zijn voorzien van richtingaanwijzers als bedoeld in het tweede lid onder a of b.

Lid 4 vervalt.

Lid 3 (oud) wordt lid 4; in dit lid worden de woorden „Zij moeten” vervangen door: Richtingaanwijzers als bedoeld in het tweede lid onder a of b moeten.

Het vijfde lid wordt vervangen door:

5. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op motorrijtuigen, waarbij behalve de in het tweede lid bedoelde richtingaanwijzers aan de achterzijde van het motorrijtuig of, indien dit een aanhangwagen voortbeweegt, aan de achterzijde van de aanhangwagen, een tweede paar richtingaanwijzers overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is aangebracht, welke voldoen aan de in het tweede lid gestelde eisen, met uitzondering van het daar onder c ten aanzien van de zichtbaarheid van het tegemoetkomende verkeer gestelde. Alsdan moeten de voorste richtingaanwijzers, wanneer zij in werking zijn, voor het tegemoetkomende verkeer duidelijk zichtbaar zijn buiten de omtrek van de voorzijde van het motorrijtuig.

Lid 6 vervalt. Lid 7 wordt lid 6. Lid 8 wordt lid 7. Lid 9 wordt lid 8. Lid 10 wordt lid 9.

Lid 11 wordt lid 10; dit lid wordt vervangen door:

10. Onder knipperlicht wordt in dit artikel verstaan licht, dat ten minste 40 maal per minuut en ten hoogste 90 maal per minuut automatisch gedoofd en weder ontstoken wordt.

Sluiten