Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Veiligheidskleppen en veiligheidsbuizen moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 28, lid 1, eerste volzin.

Gewichtsbelasting is verplicht voor veiligheidskleppen van vaste toestellen, waarvan de middellijn van de klepopening niet kleiner is dan 50 mm.

3. Indien de veiligheidskleppen, als in dit artikel bedoeld, zijn voorzien van veerbelasting, moet — behoudens in het geval bedoeld in artikel 32, lid 2 — op de ruimte, waarmede deze veiligheidskleppen in verbinding staan, tevens een contröle-aansluiting zijn aangebracht, als bedoeld in artikel 14, lid 2.

4. Indien een stoomtoestel of damptoestel is voorzien van een peilglas, moet dit zijn ingericht, als omschreven in artikel 34, lid 1.

HOOFDSTUK VI

Regelen, in acht te nemen bij het gebruik van stoomtoestellen en damptoestellen

Artikel 58. 1. De gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel is verplicht zorg te dragen:

le dat het toestel en het toebehoren daarvan in behoorlijke staat van onderhoud verkeren en voldoende worden gereinigd;

2e dat manometers, thermometers en peiltoestellen voldoende zijn verlicht;

3e dat onderdelen van het toebehoren, welke tijdens de werking van het toestel onbruikbaar kunnen worden en verwisselbaar zijn, in voldoende mate ter beschikking zijn van hem, die het toestel bedient;

4e dat het vergunningbewijs tot het in werking brengen van het toestel in goede staat wordt gehouden en steeds bij het toestel aan de betrokken ambtenaar van de Dienst kan worden overgelegd.

2. De gebruiker van het stoomtoestel of damptoestel en hij, die het bedient, zijn verplicht zorg te dragen:

le dat veiligheidskleppen en andere bewegende onderdelen van het toebehoren gemakkelijk gangbaar blijven en de veiligheidskleppen niet zwaarder worden belast dan overeenkomt met de toegestane werkdruk;

2e dat het bepaalde in artikel 38, lid 3, wordt nageleefd, de verzegeling, bedoeld in artikel 40, lid 4, niet wordt beschadigd of verbroken, het toestel, bedoeld in artikel 43, lid 1, niet wordt belet te werken en een van de veiligheidsplaatjes, als bedoeld in artikel 54, in open verbinding met het toestel blijft;

3e dat het toestel, na buiten gebruik te zijn geweest, niet in werking wordt gebracht dan nadat is gebleken, dat flensverbindingen, pakkingbussen en deksels doelmatig zijn verpakt.

De gebruiker, die het stoomtoestel of damptoestel niet bedient, wordt geacht aan deze verplichtingen te hebben voldaan. Wanneer hij aantoont, dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn getroffen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden, om de naleving te verzekeren van hetgeen in dit lid is bepaald.

3. Hij, die het stoomtoestel of damptoestel bedient, is verplicht zorg te dragen:

le dat hij zich vergewist van bij inwendige reiniging of tijdens het gebruik van het toestel redelijkerwijze waar te nemen gebreken of sporen van lekkage en van zijn bevindingen kennis geeft aan de gebruiker;

2e dat tijdens het gebruik van een ketel het vloeistofpeil in de ketel niet beneden het toegestane laagste vloeistofpeil daalt.

Artikel 59. De gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel, voor het in werking brengen waarvan vergunning is vereist, is verplicht aan het Districtshoofd kennis te geven van:

a - het tijdelijk of blijvend ten gebruike aan anderen afstaan van het toestel;

b. de aard van elk gebrek, dat aan het toestel of aan het toebehoren is ontstaan, en van elke herstelling, die hij voornemens is dit te doen ondergaan;

c. elke wijziging, die hij voornemens is te brengen in de opstelling van het toestel, in het toestel zelf of in het toebe horen daarvan;

d. het tijdstip, waarop het toestel van de bekleding zal worden ontdaan, waarop het gelicht of gekanteld zal worden of waarop pijpen of delen van het binnenwerk zullen zijn uitgenomen;

e. elk voorval, dat van invloed is of kan zijn op de toestand, waarin het toestel verkeert.

HOOFDSTUK VII

Het toezicht op stoomtoestellen en damptoestellen, voor het in werking brengen waarvan vergunning is verleend

Artikel 60. 1. Een stoomtoestel of damptoestel wordt telkens na verloop van een termijn, als in het volgende lid bepaald, aan een keuring onderworpen.

2. De termijn bedraagt:

a. één jaar voor vaartuigketels met een verwarmd oppervlak groter dan 5 m 2 ;

b. twee jaar voor andere stoomketels, alsmede voor dampketels;

c. vier jaar voor vaten.

3. Het Hoofd van de Dienst kan, indien hij in verband met de aard van de in het toestel aanwezige stoffen zulks noodzakelijk acht, een kortere termijn dan die genoemd in het voorgaande lid vaststellen.

Het Hoofd van de Dienst kan, indien zulks om bijzondere redenen nodig is, toestaan, dat een termijn wordt overschreden.

Het Districtshoofd kan, indien zulks in het belang van de uitoefening van de dienst wenselijk is, de eerste keuring na het uitreiken van het contróleboek doen geschieden binnen de in lid 2 bedoelde termijn.

4. De in het eerste lid bedoelde keuring omvat:

a. bij stoomtoestellen en damptoestellen, welke inwendig kunnen worden onderzocht, een inwendig onderzoek en op het tijdstip, waarop het Districtshoofd zulks nodig acht, tevens een uitwendig onderzoek, een beproeving of een onderzoek van het materiaal;

b. bij stoomtoestellen en damptoestellen, welke niet inwendig kunnen worden onderzocht, uitgezonderd die bedoeld onder c, een beproeving en op het tijdstip, waarop het Districtshoofd zulks nodig acht, tevens een uitwendig onderzoek of een onderzoek van het materiaal;

c. bij vaten, pijpleidingen zijnde, een onderzoek van de daarvoor in aanmerking komende flens-, las-, schroefverbindingen en dergelijke en op het tijdstip, waarop het Districtshoofd zuks nodig acht, tevens een uitwendig onderzoek, een beproeving en een onderzoek van het materiaal.

5. Het Districtshoofd kan, wanneer hij daartoe termen aanwezig acht, eisen, dat een onderzoek wordt ingesteld met betrekking tot de aard en de samenstelling van de in de stoomtoestellen en damptoestellen aanwezige stoffen.

Artikel 61. 1. Ten behoeve van een keuring is de gebruiker verplicht zorg te dragen:

le dat het stoomtoestel of damptoestel op de aangegeven plaats en gedurende de daarvoor bepaalde dag toegankelijk en daartoe gereed is;

2e dat het toestel op afdoende wijze is gezuiverd van gevaarlijke of schadelijke stoffen;

3e dat een schoon en doelmatig ketelpak aanwezig is;

4e dat de betrokken ambtenaar van de Dienst behoorlijk gelegenheid wordt verschaft tot verkleden en reinigen.

Sluiten