is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 361-400, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn salaris bedraagt x/10 van het bedrag bij 29 leseenheden in de voor hem geldende schaal of schalen, waarbij x gelijk is aan het aantal wekelijkse college-eenheden waarnaar zijn salaris in die schaal of schalen moet worden berekend. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal guldens.

J. Na artikel IV-P21 en voor artikel IV-P22 worden ingevoegd de artikelen IV-P21b, IV-P21C, IV-P21d en IV-P21e, luidende:

Art. IV-P21b Overgangsrecht 1-schalen 1-8-1978

1. De bezoldiging van de leraar die op 31 juli 1978 in dienst was van een dag- of avondschool en die dat op 1 augustus 1978 nog was, en van wie het salaris op 31 juli 1978 werd vastgesteld volgens een 1-schaal, blijft met ingang van 1 augustus 1978 vastgesteld volgens de voor hem op 31 juli 1978 geldende 1-schaal, zolang en voorzover hij zonder onderbreking van meer dan 2 maanden werkzaam blijft in de eerste- of tweede- graadssector van een dag- of avondschool. 2. De leraar, bedoeld in het eerste lid, die na 1 augustus 1978 gedurende enige periode uitsluitend in de derde-graadssector werkzaamheden gaat verrichten kan, mits hij zonder onderbreking van meer dan twee maanden bij het voortgezet onderwijs werkzaam blijft, zodra hij wederom in de eersteof tweedegraadssector werkzaam wordt alsnog volgens de vóór 1 augustus 1978 voor hem geldende 1-schaal worden bezoldigd. 3. De bezoldiging van de leraar die op 31 juli 1978 in dienst was van een dag- of avondschool en die dat op 1 augustus 1978 nog was, en die op 31 juli 1978 wel in het bezit was van een bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel I-P3, maar wiens salaris op die datum niet volgens een 1-schaal werd vastgesteld omdat hij niet werkzaam was in de eerste- of tweede-graadssector kan, zolang hij zonder onderbreking van meer dan 2 maanden bij het voortgezet onderwijs werkzaam blijft, op of na 1 augustus 1978 alsnog worden vastgesteld volgens de 1-schaal die voordien voor hem zou hebben gegolden als hij in de eerste- of tweede-graadssector werkzaam was geweest, en wel zodra hij in die eerste- of tweede-graadssector werkzaam wordt. 4. De bezoldiging van een leraar die op 31 juli 1977 in dienst was van een dag- of avondschool en dat op 1 augustus 1977 nog was en die vóór 1 januari 1980 in het bezit komt van een bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel I-P3, kan vanaf de eerste dag van de maand waarin hij die bevoegdheid behaalt, zodra hij in de eerste- of tweede-graadssector werkzaam wordt, alsnog worden vastgesteld volgens de 1-schaal die voor hem zou hebben gegolden als hij vóór 1 augustus 1977 voor het door hem in de eerste- of tweede-graadssector te onderwijzen vak in het bezit zou zijn geweest van dat bewijs van bevoegdheid, één en ander zolang en voor zover hij na 1 augustus 1977 zonder onderbreking van meer dan twee maanden bij het voortgezet onderwijs werkzaam blijft. 5. Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid, wordt met een leraar die op 31 juli 1978, respectievelijk 31 juli 1977 in dienst was van een dag- of avondschool en dat op 1 augustus 1978 respectievelijk 1 augustus 1977 nog is, gelijkgesteld de leraar die op genoemde data in het genot is van een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk l-H, dan wel de leraar die op één van beide data in dienst is van een school voor voortgezet onderwijs en op de andere datum in het genot is van zo'n ontslaguitkering. 6. Als een onderbreking bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid wordt niet aangemerkt de tijd gedurende welke door de desbetreffende (gewezen) leraar een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk l-H wordt genoten.