is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 401-451, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de vakantieuitkering met inachtneming van het minimumbedrag en in de voorkomende gevallen verhoogd met de in de eerste volzin genoemde f 150,- per kind. Voor zover de verhuizing geschiedt na ontslag of overlijden van de belanghebbende, zal bij de berekening van de verhuiskostenvergoeding worden uitgegaan van de jaarwedde, die de belanghebbende vóór zijn ontslag of overlijden laatstelijk genoot. B. In het zesde lid wordt de punt vervangen door een komma, waarna wordt toegevoegd: één en ander met inachtneming van het in het tweede lid bedoelde minimum en maximum. C. Een zevende lid wordt toegevoegd, luidende als volgt: 7. De verhuiskostenvergoeding voor de belanghebbende, die in dienst treedt bij een school, bedraagt in afwijking van het bepaalde in de vorige leden, de helft van de vergoeding waarop hij ingevolge die leden aanspraak zou hebben. De beperking vermeld in de vorige volzin geldt niet indien de belanghebbende voorafgaande aan zijn indiensttreding aangesteld is geweest bij: a. een andere school, b. enige andere door het Rijk gesubsidieerde instelling van onderwijs, niet vallende onder de wet dan wel c. de overheid, zonder dat er tussen beide aanstellingen een wezenlijke onderbreking is geweest.

ARTIKEL II

Artikel J7 van het Rechtspositiebesluit W.L.W. (Stb. 1968, 622) wordt gelezen als volgt:

1. De verhuiskostenvergoeding bestaat uit één of meer van de volgende componenten: a. de noodzakelijk te maken reiskosten, t.w. een bedrag voor de kosten verbonden aan het vervoer in Nederland van de belanghebbende en zijn gezinsleden zomede van inwonend dienstpersoneel naar de nieuwe woning en zo nodig voor overnachtingskosten, welk bedrag bij een verhuizing binnen Nederland kan worden vermeerderd met een bedrag voor de reiskosten en zonodig voor overnachtingskosten, welke de belanghebbende en eventueel zijn echtgenote, ieder voor ten hoogste één reis, vooraf hebben moeten maken ter bezichtiging van woonruimte; b. de transportkosten, t.w. een bedrag voor de kosten van vervoer van de bagage en van de inboedel van belanghebbende naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken; c. de opknapkosten, t.w. een bedrag voor eventuele opknapkosten aan de nieuwe woning volgens nader door Onze minister te stellen regelen; d. de dubbele huishuur, t.w. een bedrag bij eventuele dubbele huishuur, gelijk aan de huur van de oude woning voor de tijd, dat het betalen van dubbele huishuur naar de mening van het bevoegd gezag en Onze minister in verband met de functie van de belanghebbende noodzakelijk is; e. de andere kosten, t.w. een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten. Een tegemoetkoming in de kosten bedoeld onder c en d wordt niet toegekend bij een verhuizing als bedoeld in artikel J3, eerste lid, onder b3 en artikel J5, derde lid. 2. Indien de belanghebbende op de dag waarop de verplichting tot verhuizen ontstaat, dan wel in de gevallen bedoeld in artikel J5, tweede lid, op de dag van de verhuizing, een eigen huishouding voert en voortzet in de nieuwe woning, wordt het bedrag, bedoeld in het vorige lid onder e, voor zo-