is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 501-549, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jecteerde afvalwater, hebben overwogen dat dit bezwaren zijn, welke verband houden met mogelijke gevolgen als gevaar, schade of hinder, ter wering waarvan de onderwerpelijke verordening niet in het leven is geroepen;

dat echter de betekenis van het belang van de bescherming van de bodem en het grondwater tegen verontreiniging, welk belang aan een besluit als het voorliggende ten grondslag dient te liggen, mede wordt bepaald door de van de verontreiniging te duchten gevolgen, zodat deze Onzes inziens bij de beslissing omtrent een ontheffing mede in aanmerking dienen te worden genomen;

dat gedeputeerde staten overigens ook op enige bezwaren betreffende gevaar, schade of hinder zijn ingegaan;

dat weliswaar ook de Hinderwet beoogt te voorkomen dat bepaalde inrichtingen daarbuiten gevaar, schade of hinder van ernstige aard veroorzaken en deze wet in verband met het bepaalde in het Hinderwetbesluit ook van toepassing is op inrichtingen als de onderwerpelijke, en aldus in zekere mate mede de bescherming van de bodem en het grondwater dient;

dat echter de verordening, welke blijkens de toelichting daarop in het leven is geroepen in afwachting van een landelijke regeling, een ruimere strekking heeft;

dat niet is gebleken dat, indien bezwaren als door de appellanten bedoeld, mede in de beoordeling worden betrokken, aan de in het geding zijnde verordening een toepassing zou worden gegeven, welke met de Hinderwet in strijd zou zijn;

dat de injectieputten waarop de bij het bestreden besluit verleende ontheffingen betrekking hebben, dienen voor het doen verzinken in de bodem van afvalwater, afkomstig van chemische fabrieken van Naarden International Holland B.V., tot een diepte van N.A.P. onderscheidenlijk -220 m tot -300 m en -430 m tot -600 m;

dat in verband met de omstandigheid dat de gevolgen van de onderhavige dieptelozingen in feite niet ongedaan kunnen worden gemaakt, zodanige lozingen slechts kunnen worden toegestaan nadat voldoende inzicht is verkregen in de gevolgen van de lozingen voor de door de verordening beschermde belangen;

dat daartoe diepgaand onderzoek noodzakelijk is betreffende de opbouw, aard, samenstelling en eigenschappen van de bodem en het daarin aanwezige grondwater alsook betreffende de toelaatbare druk in en de capaciteit van de onderscheidene bodemlagen waarop de voorgenomen lozingen invloed hebben, waarbij onder meer gedurende geruime tijd injectieproeven met vloeistoffen, welke geen gevaar of schade voor de bodem kunnen opleveren, dienen te worden verricht;

dat gedeputeerde staten bij hun beoordeling van het verzoek om ontheffing hebben gesteund op een rapport van de Hoofdingenieur-Directeur der Provinciale Waterstaat alsook op andere adviezen;

dat de gegevens waarop het rapport en de adviezen gebaseerd zijn, gedeeltelijk verkregen zijn door boringen, die met het oog op het verzoek om ontheffing zijn verricht;

dat evenwel deze boringen beperkt zijn gebleven tot het tot stand brengen van de twee injectieputten;

dat aan de hand van de uit deze boringen verkregen grondmonsters laboratoriumonderzoek is verricht naar de doorlatendheid van de afsluitende kleilagen;

dat de boringen en ook de onderzochte monsters en de verrichte metingen te gering in aantal zijn om voldoende inzicht te verkrijgen in opbouw, aard, samenstelling en eigenschappen van de lozingslaag alsmede om op grond daarvan te concluderen dat het betrokken kleilagencomplex voldoende afsluitende eigenschappen bezit;

dat in het rapport van de Provinciale Waterstaat de maximale verspreiding van de afvalstoffen rond de injectieputten op grond van aangegeven berekeningen is gesteld op enkele tientallen meters;