is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 701-763, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het eerste lid van artikel 13 van de Ziekenfondswet bepaalt dat de ziekenfondsen de nodige maatregelen treffen ter voorkoming van onnodige verstrekkingen en van uitgaven welke hoger dan noodzakelijk zijn. De tweede volzin van dit lid zegt dat een algemene maatregel van bestuur zal regelen aan welke eisen daarbij ten minste moet worden voldaan.

Het delicate karakter van controle in het algemeen en op het terrein van de gezondheidszorg in het bijzonder, alsmede de uiteenlopende ideeën die ter zake bestaan, zijn er onder meer de oorzaak van geweest dat de algemene maatregel van bestuur eerst nu tot stand kon komen. Een breed overleg in en buiten het kader van de Ziekenfondsraad is aan deze totstandkoming voorafgegaan, waarbij de betrokken belanghebbenden hun meningen hieromtrent naar voren hebben kunnen brengen. Dit besluit kan dan ook beschouwd worden als de resultante van dit omstandige vooroverleg.

Na een omlijning van de werkingssfeer van de controle in artikel 1 zijn de belangrijkste eisen die aan de ziekenfondsen worden gesteld, geformuleerd in de artikelen 2 en 3. Zij dienen de aldus omlijnde controle met de in de eisen aangegeven middelen uit te voeren. Aandacht is daarbij besteed aan het vereiste van deskundigheid ten einde de controle te kunnen verheffen tot het niveau waar zich de gezondheidszorg afspeelt.

De opzet van het besluit is grotendeels overeenkomstig het advies van de Ziekenfondsraad van 25 mei 1978, no. FES/BU/8373. Het vereiste van goedkeuring door de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van de door de Ziekenfondsraad te stellen nadere regelen is echter in afwijking van dat advies opgenomen in artikel 6.

De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de controle in het kader van de Ziekenfondswet is te zeer een aangelegenheid de gehele gezondheidszorg betreffende, dan dat nadere aanwijzingen voor de ziekenfondsen hieromtrent tot stand zouden mogen komen buiten de medewerking van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne.

In aanvulling op het advies van de Ziekenfondsraad is in artikel 2, tweede lid, de bepaling opgenomen dat de regeling inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het medisch beroepsgeheim eveneens van toepassing is op de instelling bedoeld in artikel 39, tweede lid, indien en voorzover een ziekenfonds de uitoefening van controle opdraagt of overdraagt aan deze instelling. Deze aanvulling is noodzakelijk ten einde te bereiken dat ook deze instellingen steeds gebonden zijn aan de desbetreffende bepaling van artikel 2, eerste lid. Met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zij nog in het algemeen opgemerkt dat dit begrip ten deze in gelijke zin moet worden verstaan als in artikel 1.10 van het voorstel inzake het in overweging nemen van een wijziging van de Grondwet met betrekking tot bepalingen inzake grondrechten (Gedrukte stukken Staten-Generaal, nr. 13872).

De rapporten van de «Commissie Becht» en de «Commissie Piket» van de Ziekenfondsraad, respectievelijk gedateerd 27 februari 1975 en 13 oktober 1976, brachten reeds naar voren dat het noodzakelijk geacht moet worden dat uitvoering wordt gegeven aan het eerste lid van artikel 13 van de Ziekenfondswet. Aangezien dit artikel zich eenzijdig richt tot de ziekenfondsen dient de nadere uitwerking van de controle uiteindelijk zijn concretisering te vinden in de medewerkersovereenkomsten als bedoeld in artikel 44 van de Ziekenfondswet. De opdracht aan de ziekenfondsen impliceert dan ook dat uiteindelijk voldoende controlebepalingen deel moeten gaan uitmaken van deze overeenkomsten. Daartoe bevorderen de ziekenfondsen naar beste vermogen dat de overeenkomsten, bedoeld in artikel 44 van de Ziekenfondswet, een dergelijke controleparagraaf bevatten.

Op basis van de daarin opgenomen bepalingen moeten de ziekenfondsen in staat zijn zich een juist oordeel te vormen omtrent de op grond van deze