is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 51-100, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II

Artikel 3

1. In dit hoofdstuk wordt onder pensioen verstaan een pensioen toegekend krachtens de Spoorwegpensioenwet, alsmede een pensioen of een uitkering, welke krachtens artikel T 3 van evengenoemde wet voor de toepassing daarvan geacht worden krachtens die wet te zijn toegekend. 2. Onder pensioen worden mede begrepen de wettelijke verhogingen en aanvullingen, met uitzondering van de pensioenverhogingen, gegrond op de artikelen 32, 51 of 99 van de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (Stb. 294), zoals die wet luidde op 31 december 1956.

Artikel 4

Artikel 2 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenen.

HOOFDSTUK III Artikel 5

1. In dit hoofdstuk wordt onder pensioen verstaan een pensioen, toegekend krachtens de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, alsmede een pensioen, dat krachtens artikel 37 of krachtens artikel 82 van evengenoemde wet geacht wordt krachtens die wet te zijn toegekend. 2. In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan het bedrag, dat voor de berekening van een pensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, in aanmerking is genomen.

Artikel 6

1. Artikel 2, eerste lid, vindt overeenkomstige toepassing op de overeenkomstig de Aanpassingsregeling pensioenen 1978-1 aangepaste berekeningsgrondslagen van de per 1 juli 1978 lopende pensioenen. 2. De berekeningsgrondslagen van pensioenen, toe te kennen per 1 juli 1978 of later, worden na toepassing van het gestelde in de Aanpassingsregeling pensioenen 1978-1 nader aangepast overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. 3. Een pensioen, als bedoeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 juli 1978 evenredig aan de verhoging, die de aangepaste berekeningsgrondslag ingevolge het eerste lid ondergaat, verhoogd, voor zoveel nodig met inachtneming van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in hoofdstuk 16 van die wet. 4. Een pensioen, als bedoeld in het tweede lid, wordt met ingang van 1 juli 1978 of het later tijdstip, waarop het pensioen ingaat, vastgesteld aan de hand van de overeenkomstig dat lid aangepaste berekeningsgrondslag.

Artikel 7

1. Een pensioen, toegekend oftoete kennen met toepassing van de in artikel 38 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen, zal na toepassing van het vorige artikel een maximum van f 37.104;niet overschrijden. 2. Een pensioen, toegekend of toe te kennen met toepassing van de in artikel 83 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen, bedraagt met ingang van 1 juli 1978 of het later tijdstip, waarop het pensioen ingaat, f 1.654,- per lidmaatschapsjaar en zal een maximum van f 29.940,- niet overschrijden.