is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 51-100, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Naar aanleiding van de verhoogde rechtsbescherming in geval van zwangerschap en bevalling, welke bij Wet van 6 mei 1976, Stb. 295, in het commune ontslagrecht tot stand is gebracht, en met het oog op de goedkeuring van het Europees Sociaal Handvest (E.S.H.) wordt voorgesteld in het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Arbeidsovereenkomstenbesluit enkele wijzigingen aan te brengen.

Artikel 8, sub 2 van het E.S.H. houdt in dat de overeenkomstsluitende partijen, om de onbelemmerde uitoefening van het recht van vrouwelijke werknemers op bescherming te waarborgen, zich verplichten «het als onwettig te beschouwen indien een werkgever een vrouw haar ontslag aanzegt gedurende haar verlof wegens bevalling of haar ontslag aanzegt op een zodanig tijdstip dat de opzeggingstermijn gedurende een dergelijk verlof afloopt».

Het Comité van Onafhankelijke Deskundigen als bedoeld in artikel 25 van het Handvest heeft artikel 8, sub 2 E.S.H. geïnterpreteerd «as not laying down an absolute prohibition which could be removed, for instance, in the following cases:

(1) If an employed woman has been guilty of misconduct which justifies breaking off the employment relationship. (2) If the undertaking concerned ceases to operate. (3) If the period prescribed in the employment contract has expired.» (Conclusions I, pag. 51).

Hieruit valt naar mijn mening af te leiden, dat, hoewel artikel 8, sub 2 E.S.H. in algemene bewoordingen spreekt van een verbod ontslag aan te zeggen gedurende het zwangerschapsverlof of op een zodanig tijdstip dat de ontslagdatum in dat verlof valt, dit verbod niet geldt wanneer de daarmee beoogde rechtsbescherming zou leiden tot een niet te rechtvaardigen bevoorrechte behandeling. Dit zou wel het geval zijn als het ontslagverbod ook zou gelden indien voor beëindiging van het dienstverband een reden aanwezig is, welke ook in geval van het niet bestaan van zwangerschaps- en bevallingsverlof toepassing zou vinden.

Ook de bepalingen van het commune ontslagrecht hebben naar mijn mening slechts ten doel de zwangere vrouw te beschermen tegen een ontslag dat verband houdt of kan houden met de zwangerschap. Het opzeggingsverbod van artikel 1639 h, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek laat dan ook onverlet de mogelijkheid om tijdens de zwangerschap de dienstbetrekking te beëindigen wegens een dringende of gewichtige reden in de zin van artikel 1639 o, respectievelijk 1639 w van het Burgerlijk Wetboek. In deze gevallen is de reden voor de beëindiging van het dienstverband duidelijk een andere dan de zwangerschap.

Ten aanzien van de vrouwelijke ambtenaar in vaste dienst is de bestaande regeling genoegzaam met waarborgen omgeven. Zij kan niet worden ontslagen wegens zwangerschap of bevalling, terwijl zij tijdens de zwangerschap en het zwangerschapsverlof slechts ontslagen kan worden op een van de specifieke ontslaggronden van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Geen van deze ontslaggronden houdt verband met de zwangerschap.

Voor de ambtenaren in tijdelijke dienst geldt niet een in wezen gesloten systeem van ontslaggronden zoals voor de ambtenaren in vaste dienst, zodat voor de vrouwelijke ambtenaar in tijdelijke dienst wel een aanpassing vereist is in artikel 95 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Voorgesteld wordt deze aanpassing te doen bestaan in het niet kunnen opzeggen, indien ontslag wordt verleend zonder aanwijzing van een van de specifieke ontslaggronden genoemd in het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Ik acht het gewenst voor wat de periode betreft waarin niet opgezegd kan worden aan te sluiten bij die welke het Burgerlijk Wetboek kent, namelijk de gehele zwangerschap, het zwangerschapsverlof en, indien de vrouwelijke ambtenaar haar dienst na de bevalling hervat, ook de periode van de zevende tot en met de twaalfde week na de bevalling.