is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Onze minister stelt regels vast waarbij voor betrekkingen die geleidelijk worden opgeheven, ten gunste van de belanghebbende, van het bepaalde in het eerste lid, onder d, kan worden afgeweken. Daarbij kunnen tevens richtlijnen worden gegeven inzake de toepassing van art. I-H2. Artikel I-H2 Rechtop wachtgeld 1. Onze minister verleent desgevraagd aan de ontslagen belanghebbende, met ingang van de dag van ontslag een wachtgeld, indien het ontslag is verleend: a. uit een betrekking in vaste dienst, en b. op grond van: 1. opheffing van de school of van de betrekking, dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de school dat zijn werkzaamheden overbodig worden; 2. eigen verzoek, nadat schriftelijk door het bevoegd gezag het voornemen is medegedeeld om de school of de betrekking op te heffen of de inrichting van het onderwijs of de dienst van de school zodanig te veranderen dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden; 3. verplaatsing van de school, indien Onze minister tot verlening van een wachtgeld termen aanwezig acht; 4. het besluit van het bevoegd gezag dat hij na het einde van zijn funktie als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, als lid van gedeputeerde staten van een provincie, als wethouder van een gemeente of als lid, niet tevens voorzitter, van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Rijnmond of van daarmede gelijkgestelde openbare lichamen - en tijdens de uitoefening waarvan hij buitengewoon verlof heeft genoten - bij gebrek aan vacature niet in actieve dienst aan de school kan worden hersteld; 5. het besluit van het bevoegd gezag dat hij na afloop van lang buitengewoon verlof, anders dan bedoeld onder 4, bij gebrek aan vacature niet in actieve dienst aan de school kan worden hersteld; 6. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de door hem beklede betrekking, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken; 7. redenen van gewichtige aard, indien Onze minister in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken in zeer bijzondere gevallen daartoe termen aanwezig acht. In dat geval kan worden bepaald, datten gunste van de belanghebbende wordt afgeweken van bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel I-H3 Duur wachtgeld 1. De duur van het wachtgeld is 3 maanden, vermeerderd: - voor de belanghebbende die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd, - voor de belanghebbende die op de dag van ontslag 21 jaar is met een duur gelijk aan 19 1 /2% van de diensttijd, en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmend met 1 '/ 2 %, met dien verstande, dat de duur van het wachtgeld voor de belanghebbende die op de dag van het ontslag 60 jaar of ouder is, gelijk is aan 3 maanden, vermeerderd met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd. 2. De duur van het wachtgeld van de belanghebbende, die bij de aanvang van de in het vorige lid bedoelde diensttijd in het genot was van een uit de openbare kas bekostigd wachtgeld of lange uitkering wordt berekend door mede in aanmerking te nemen de diensttijd die bij de berekening van de duur van die eerder toegekende ontslaguitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van de eerder toegekende ontslaguitkering in mindering gebracht met uitzondering van de eventueel daarbij toegepaste wachtgeldduurverlenging, bedoeld in het derde lid. 3. De duur van het wachtgeld van de belanghebbende, die ten tijde van het ontslag een diensttijd voorzover geldig voor een pensioen van ten minste 10 jaren heeft volbracht, wordt, indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van