is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 231-270, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 3. Op zichzelf beschouwd is het niet nodig in het Reglement van Orde te vermelden hetgeen volgt uit artikel 10, tweede lid van het Statuut, namelijk dat in een bepaald geval een Minister van de Nederlandse Antillen met raadgevende stem aan het overleg in de Ministerraad en de onderraden of commissies uit de Raad kan deelnemen. Dat dit in artikel 3 toch is geschied vindt zijn grond in de overweging dat een zwijgen hierover een onjuiste indruk zou maken, nu in het artikel bepaald wordt dat de Staatssecretarissen met raadgevende stem in het overleg betrokken kunnen zijn. Dit laatste zal het geval zijn indien een onderwerp aan de orde is dat het werkterrein van een Staatssecretaris raakt en de betrokken Minister diens aanwezigheid bovendien noodzakelijk acht. Tevens is het sinds 1967 gewoonte geworden dat om praktische redenen een Staatssecretaris bij afwezigheid van zijn Minister de vergaderingen van de Raad kan bijwonen. De verantwoordelijkheid van de Minister ad interim wordt daardoor vanzelfsprekend niet aangetast.

Nieuw is de vermelding dat de Hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst in beginsel de vergaderingen van de Raad als toehoorder kan bijwonen. Sinds de gewoonte is gegroeid dat de Minister-President na afloop van de vergaderingen van de Ministerraad een persconferentie houdt en voor televisie en radio wordt geïnterviewd, moet dat optreden naar buiten deugdelijk kunnen worden voorbereid op ambtelijk niveau. Daarom is in het begin van de jaren '70 besloten dat de Hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst of diens plaatsvervanger als toehoorder de vergaderingen van de Ministerraad bijwoont.

Artikelen 4 en 5. In deze twee artikelen is evenals het geval was in het vorige Reglement, de taak van de Raad aangeduid. Het eerste lid van artikel 4 doet duidelijk uitkomen dat de menings- en besluitvorming ten aanzien van het algemeen regeringsbeleid door de Ministers gezamenlijk geschiedt. Wat onder algemeen regeringsbeleid dient te worden verstaan is aan de interpretatie van de Raad zelf overgelaten. De materie is te wisselend van inhoud om in het Reglement te worden geconcretiseerd. Zowel het verwezenlijken van het regeringsprogramma als het in bestuurlijk opzicht goed functioneren van de departementen kan eronder worden begrepen. Wel zijn in het tweede lid van dit artikel verscheidene onderwerpen opgesomd die in ieder geval in de Raad moeten worden behandeld. Ten opzichte van de vorige redactie is deze opsomming zowel aangevuld als gewijzigd, omdat in de praktijk is gebleken dat aangelegenheden door Ministers niet aan de Ministerraad werden voorgelegd hoewel zij daar eigenlijk wel hadden moeten komen. De aanvullingen betreffen het vermelde in artikel 4, tweede lid, onder c tot en met g.

Onder punt j is aangegeven welke soort benoemingen aan de Raad dienen te worden voorgelegd. De opsomming van functies in het vorige Reglement bleek in de praktijk niet te voldoen. Hoewel in de nota van toelichting op die bepaling uitdrukkelijk was vermeld dat de opsomming niet limitatief was, werd hij in de praktijk wel als zodanig beschouwd. Gehandhaafd is de bepaling dat bij twijfel over de vraag of een onderwerp in de Ministerraad moet worden behandeld, een Minister met de Minister-President, die in het eerste lid van artikel 15 uitdrukkelijk belast wordt met de taak te zorgen voor de naleving van dit Reglement, overleg zal plegen. Dit overleg is in artikel 5 dwingend voorgeschreven in kwesties bij welke het algemeen regeringsbeleid betrokken kan zijn.

Als doel van het overleg in de Ministerraad was in het Reglement van Orde van 1945 voorgeschrevén «de eenheid in het regeringsbeleid». Het streven van de Raad zal inderdaad gericht moeten zijn op bevordering van die eenheid. Dit neemt niet weg dat er ook kwesties van algemeen regeringsbeleid kunnen en moeten besproken worden, die met eenheid van het beleid weinig of niets te maken hebben. In het eerste lid van artikel 4 zijn algemene taak en bijzonder streven derhalve in twee afzonderlijke zinnen tot uitdrukking gebracht.

Het tweede lid is zoals gezegd op vele plaatsen gewijzigd of aangevuld.