is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 271-310, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4°. welke door de beroepsmilitair, «reservist onbepaald verband» of «reservist kort verband», ware hij in stede daarvan ambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240) of van de Algemene burgelijke pensioenwet geworden, op de voet van artikel 40 van eerstgenoemde wet had kunnen worden ingekocht, voor zover deze tijd niet valt onder 3°, een en ander voor zover vorenbedoelde tijd niet valt onder artikel D 1, eerste lid, met uitzondering van het gestelde onder a, 3°, van dat lid. 2. De tijd, bedoeld in het vorige lid, kan slechts als voor pensioen geldige diensttijd in aanmerking komen, indien a. de burgerbetrekking, waarin de voor pensioen geldige diensttijd is doorgebracht, na hettijdstip van indiensttreding als beroepsmilitair, «reservist onbepaald verband» of «reservist kort verband» niet meer is uitgeoefend; b. tussen het ontslag uit de burgerbetrekking en de daarop gevolgde indiensttreding, bedoeld onder a, een tijdvak van een jaar of korter ligt en c. het tot een jaarbedrag herleid ambtelijk inkomen, omschreven in artikel C 1 van de Algemene burgelijke pensioenwet of in een daarmede overeenkomende bepaling in andere wetten, dat voor hem was verbonden of verbonden zou zijn geweest aan de burgerbetrekking, indien hij deze bekleedde of zou hebben bekleed op de dag voorafgaande aan die van de indiensttreding, bedoeld onder a, de helft of meer bedraagt van het, tot een jaarbedrag herleid, voor de vaststelling van de pensioengrondslag in aanmerking komend inkomen, dat is verbonden aan de militaire betrekking op de dag van indiensttreding, een en ander voor zover de in de aanhef bedoelde tijd voorafgaat aan tijd, welke krachtens deze wet als diensttijd uit een militaire betrekking in aanmerking komt. 3. Het vorige lid onder b en c blijft buiten toepassing, indien het tijdvak, liggende tussen het ontslag uit de burgerbetrekking en de daarop gevolgde indiensttreding als beroepsmilitair, «reservist onbepaald verband» of «reservist kort verband», geheel of ten dele is gelegen voor 1 januari 1966. 4. Voor de berekening van de duur van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid onder b, telt niet mede de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in het eerste lid onder b, 2°, in artikel D 3 van de Algemene burgelijke pensioenwet en in een daarmede overeenkomende bepaling in andere wetten.

Artikel D 3

1. Dubbel wordt geteld van de krachtens artikel D 1 voor pensioen geldige diensttijd: a. de tijd na 31 december 1965 doorgebracht binnen de keerkringen of in andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebieden; b. de tijd voor 1 januari 1966, welke krachtens artikel 11 van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of een daarmede overeenkomende bepaling in andere vroegere militaire pensioenwetten dubbel wordt geteld. 2. Dubbel tellen van voor pensioen geldige diensttijd krachtens het vorige lid heeft niet plaats ten aanzien van: a. de diensttijd doorgebracht als reservist niet in werkelijke dienst; b. de uit non-activiteit voortvloeiende diensttijd; c. de uit de aanspraak op wachtgeld voortvloeiende diensttijd; d. de tijd, bedoeld in artikel D 1, tweede lid; e. de tijd doorgebracht met verlof, daaronder niet begrepen in aansluiting aan andere tijd, welke krachtens het eerste lid dubbel wordt geteld, genoten vakantieverlof of verlof wegens ziekte.

Artikel D 4

1. Wij bepalen ten aanzien van de voor pensioen geldige diensttijd, gedurende welke militairen aan krijgsverrichtingen hebben deelgenomen, of en in hoeverre deze tijd als zodanig dubbel zal worden geteld.