is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 271-310, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing, indien aanspraak bestaat op: a. ziekengeld, als bedoeld in de Ziektewet, dan wel in aard daarmede overeenkomende door Onze Minister aangewezen uitkeringen; b. een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, al dan niet aangevuld met een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; c. een uitkering terzake van arbeidsongeschiktheid krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen of een vreemde mogendheid; d. een door Onze Minister aangewezen uitkering die naar aard overeenkomt met een uitkering als bedoeld onder b of c; e. een aanvulling terzake van algemene invaliditeit ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet. 6. Indien de gepensioneerde militair, die recht heeft op een aanvulling, als bedoeld in artikel E 6, eerste lid, is opgenomen in een dienstverband als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de som van het pensioen, de aanvulling daarop en het loon ingevolge die regeling, omgerekend op jaarbasis, 90 percent van de pensioengrondslag, waarnaar het pensioen is berekend, overschrijdt, wordt de aanvulling voor zoveel mogelijk verminderd met het bedrag van die overschrijding. Voor de toepassing van de voorgaande volzin vindt het bepaalde bij of krachtens artikel 46, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overeenkomstige toepassing. 7. De ontslagen militair, voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onder b, of artikel E 2, eerste lid onder c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1, eerste lid onder a, 2° en 4°, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4 bestaat, heeft slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer bedraagt dan eerderbedoeld pensioen. 8. Indien de gepensioneerde militair, die recht heeft op een aanvulling als bedoeld in artikel E 6, eerste lid, inkomsten uit arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat, dat de betrokkene in staat zal zijn die inkomsten duurzaam te verwerven, de aanvulling niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. 9. Indien na beëindiging van de toepassing van het voorgaande lid geen wijziging of intrekking van de aanvulling plaatsvindt, dan wel na wijziging de aanvulling meer bedraagt dan het bedrag, dat van de aanvulling gedurende het tijdvak waarover het vorige lid is toegepast, werd uitbetaald, blijft Onze Minister niettemin bevoegd de aanvulling over het tijdvak, gedurende hetwelk het vorige lid toepassing vond, niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. 10. Indien de gepensioneerde militair, die recht heeft op een aanvulling als bedoeld in artikel E 6, eerste lid, inkomsten uit arbeid geniet, die niet een kennelijk tijdelijk karakter hebben en meer bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid, terwijl er nochtans geen gronden aanwezig zijn om de aanvulling te wijzigen of in te trekken, is Onze Minister bevoegd, zolang de betrokkene die inkomsten geniet, de aanvulling niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. 11. Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in de voorgaande leden nadere regelen stellen. Bij deze regelen kan het bepaalde in de vorige leden worden aangevuld of kan daarvan worden afgeweken.

Artikel V 5

Hetgeen uit hoofde van het krachtens artikel U 9 geëindigde pensioen bereids is genoten van de dag van ingang van het pensioen, bedoeld in artikel E 5, af, wordt aangemerkt als een betaling ter zake van laatstbedoeld pensioei