is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Ingevolge de algemene Koninklijke machtiging van 15 januari 1978 moge de ondergetekende wederom aan de Afdeling voor de geschillen van bestuur de stukken overleggen, welke behandeld zijn in haar advies van 31 januari 1978, nr. 3104/111 (1976).

Tegen het ontwerp-besluit, dat de Afdeling bij haar advies heeft gevoegd, zijn bij mij bedenkingen gerezen, welke ik hieronder nader uiteen moge zetten.

Ten einde het een op de vervoermarkt optredende ondernemer mogelijk te maken een sociaal aanvaardbare en economisch gezonde bedrijfsvoering te realiseren, is het onder meer van essentieel belang dat er op deze markt een zodanig evenwicht bestaat tussen de vraag naar en het aanbod van vervoergelegenheid dat de vervoerder voor de door hem te verlenen diensten een dusdanige prijs kan berekenen dat een redelijk rendement op geïnvesteerd vermogen is verzekerd.

Ten gevolge evenwel van de algemene verslechtering van de economische situatie in de afgelopen jaren, waardoor de groei van de industriële produktie is gestagneerd, is het totale ladingaanbod in sterke mate teruggelopen.

Dit laatste heeft er onder meer toe geleid dat in het ongeregeld vervoer over de weg de verhouding tussen benodigd en vergund laadvermogen dermate onevenwichtig is geworden dat gesproken kan worden van een noodsituatie.

Ten einde te voorkomen dat deze situatie in het ongeregeld vervoer over de weg nog verder zou verslechteren, is het vergunningverlenend orgaan (Commissie Vervoervergunningen) met ingang van 23 december 1974 toepassing gaan geven aan de tweede volzin van richtlijn II.C.4 van de Richtlijnen Goederenvervoer en is vervolgens tot stand gebracht het Koninklijk besluit van 11 juli 1975, Stb. 421, sedertdien gewijzigd, houdende vaststelling van een nadere richtlijn, als bedoeld in II.C.4, derde alinea, en II.C.5, derde alinea, van de Richtlijnen Goederenvervoer. Dit besluit is op 2 augustus 1975 in werking getreden.

Op grond van deze nadere richtlijn dient- behoudens in een vijftal nader omschreven gevallen - in beginsel op aanvragen en verzoeken, welke een uitbreiding van het vergunde laadvermogen voor het verrichten van ongeregeld vervoer met vrachtauto's bij aanvragers casu quo verzoekers onderneming met zich zouden brengen, afwijzend te worden beslist.

Dit laatste geldt niet alleen ten aanzien van aanvragen en verzoeken, welke eerst na 2 augustus 1975 bij de vergunningverlenende instanties zijn ingediend, maar in beginsel ook voor aanvragen en verzoeken welke reeds bij het in werking treden van voornoemde nadere richtlijn in behandeling genomen waren en waarop, hetzij in eerste aanleg, hetzij in beroep, nog niet was beslist.

Ik ben mij er terdege van bewust dat met een capaciteitsmaatregel, zoals deze bij het genoemde Koninklijk besluit van 11 juli 1975 is getroffen, zeer sterk in de vervoermarkt is ingegrepen. De ernstige situatie maakte echter op korte termijn geen andere keuze mogelijk.

Overigens bestond destijds de mening, dat de tonnagestop slechts een tijdelijk karakter zou dragen ter overbrugging van een conjuncturele inzinking. Nu echter de onevenwichtige verhouding tussen benodigd en vergund laadvermogen een meer structureel karakter heeft gekregen, wordt reeds geruime tijd gezocht naar andere wegen, waarlangs de onevenwichtige situatie in het wegvervoer verbeterd kan worden.

Hoe dit ook zij, zolang dergelijke capaciteitsmaatregelen nog niet zijn getroffen, is het, ten einde het effect van dergelijke maatregelen niet bij voorbaat verloren te doen gaan, noodzakelijk de bij het Koninklijk besluit van 11 juli 1975 vastgestelde nadere richtlijn vooralsnog zo stringent mogelijk toe te passen.

Ingevolge artikel I, sub A, laatste volzin, van het meergenoemde Koninklijk besluit van 11 juli 1975 kunnen evenwel, indien in bijzondere gevallen een strikte toepassing van het vorenstaande zou leiden tot een beslissing die niet