is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 451-500, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r. personen, op de voet van vrijwilliger in dienst van gemeentelijke brandweerkorpsen; s. personen, die ter zake van hun dienstverhouding geen vast basisinkomen genieten dat, herleid tot een jaarbedrag, tenminste bedraagt 'h gedeelte van het in artikel J 12 van de Algemene burgerlijke pensioenwet genoemde bedrag; t. personen, die blijkens de bewoordingen van de aanstelling of arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; u. personen, in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht uitsluitend voor een seizoen of gedeelte van een seizoen.

D

Na artikel 1 wordt een nieuw artikel 1a ingevoegd, luidende: Artikel 1a. 1. Geen ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet wegens de korte duur van zijn dienstverhouding is degene, die niet voor langer dan zes maanden in dienst is genomen. Degene, die zonder nadere tijdsbepaling voor onbepaalde tijd in dienst is genomen, wordt geacht voor langer dan zes maanden in dienst te zijn genomen. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt tussentijdse wijziging in de overeengekomen duur van de dienstverhouding geacht de aanvang van een nieuwe dienstverhouding te zijn. 3. Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing op personen, die in dienst zijn van een lichaam als bedoeld in de artikelen B 1 en B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en werkzaam zijn aan een openbare of bijzondere instelling van onderwijs overeenkomende met, onderscheidenlijk gelijk aan die bedoeld in artikel B 2. De vorige leden zijn eveneens niet van toepassing op personen in dienst van een instelling van onderwijs, die Wij ingevolge artikel B 3 van genoemde wet hebben aangewezen als lichaam, welks personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van die wet is.

E

Artikel 2, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 1. Geen ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet wegens geringe omvang van zijn werkzaamheden is hij, wiens inkomen ter zake van zijn dienstverhouding of, indien hij meer dan een dienstverhouding gelijktijdig vervult, wiens inkomen ter zake van die dienstverhoudingen, herleid tot een jaarbedrag, minder bedraagt dan 'h gedeelte van het in artikel J 12 van de Algemene burgerlijke pensioenwet genoemde bedrag, met dien verstande dat, indien de belanghebbende in dezelfde dienstverhouding of dienstverhoudingen werkzaam blijft, het ambtenaarschap behouden blijft, zolang zijn inkomen niet daalt beneden 90 procent van evenbedoeld grensbedrag.

ARTIKEL II

Degenen, bedoeld in artikel I, onderdelen B tot en met D, van dit besluit en degenen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Ons besluit van 12 januari 1966 (Stb. 8), zoals dat artikel luidt na de wijziging bij dit besluit, a. die op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit als zodanig ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet waren, behouden dat ambtenaarschap zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam zijn;