is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 551-600, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 2. Van de verzoeker om informatie mag niet worden verondersteld dat hij gemakkelijk de weg weet te vinden in de vaak ingewikkelde bestuurlijke organisatie.Van hem wordt dan ook niet verlangd dat hij zich rechtstreeks wendt tot de organisatie die over de verlangde informatie beschikt.

De verzoeker moet bij zijn verzoek de aangelegenheid vermelden waarover hij geïnformeerd wenst te worden. Deze eis hangt samen met het systeem van de wet en met name van artikel 1 daarvan. De wetgever heeft niet gekozen voor het zogenaamde documentenstelsel, waarbij de verzoeker om een specifiek aangeduid document vraagt maar voor het informatiestelsel, waarbij de verzoeker vraagt om informatie te ontvangen over de door hem vermelde aangelegenheid. Dat die informatie beschikbaar moet zijn in dier voege dat zij is neergelegd in documenten, volgt uit het bepaalde in artikel 1.

Dat de aangelegenheid waarover de verzoeker informatie wenst van bestuurlijke aard moet zijn volgt uit de aard van de wet, die beoogt een goede en democratische bestuursvoering te bevorderen. Het te leen vragen van boeken uit bibliotheken, het vragen van inlichtingen over wetenschappelijke onderwerpen aan researchinstituten, het voorleggen van vakkundige problemen aan onderwijsgevende instellingen met het verzoek daarover informatie te verschaffen ... al deze soorten van verzoeken richten zich niet op bestuurlijke aangelegenheden, ook niet als de betrokken instellingen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van overheidsorganen. Het woord «bestuurlijk» is hier niet gebruikt in de engere zin van «administratief»; het heeft betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Van de verzoeker mag voorts niet worden verlangd dat hij de bestuurlijke aard van de door hem vermelde aangelegenheid aangeeft; of zijn verzoek al dan niet binnen het kader van de wet valt, wordt in eerste instantie door het overheidsorgaan beoordeeld.

Artikel 3. Van de verzoeker om informatie mag niet worden verwacht dat hij er steeds in zal slagen zich rechtstreeks te wenden tot de organisatie waar de door hem verlangde gegevens berusten. De bepaling van dit artikel is erop gericht hem langs de kortst mogelijke weg naar die organisatie te leiden. Daartoe zullen de ambtenaren, tot wie de verzoeker zich in eerste instantie heeft gewend, in vele gevallen genoodzaakt zijn, zich eerst zelf te oriënteren over de vraag waar de verzoeker het best terecht kan om de door hem gevraagde gegevens te verkrijgen.

Artikel 4. Met een verzoek om informatie is hier bedoeld een verzoek uit hoofde van artikel 1 van de wet. In de voorlichtingspraktijk, zoals die zich vooral gedurende de afgelopen decennia heeft ontwikkeld, wordt in zeer veel gevallen, ook op verzoek, informatie verstrekt, bij voorbeeld in de vorm van schriftelijke en mondelinge mededelingen, overzichten en toelichtingen aan de pers en aan het publiek. Ook buiten de sfeer van de voorlichting wordt vaak door ambtenaren, bij voorbeeld in besturen en commissies, op verzoek informatie verstrekt aan particuliere personen en instanties met wie zij functionele contacten onderhouden. Het heeft niet in de bedoeling van de wetgever gelegen aan deze gevestigde praktijk een einde te maken en alle verzoeken om informatie te doen verwijzen naar de desbetreffende overheidsorganen zelf of naar de door deze gemachtigde ambtenaren. Als een verzoeker de informatie, waarom hij heeft gevraagd, langs de hier beschreven kanalen niet heeft verkregen en, al dan niet met een uitdrukkelijk beroep op artikel 1 van de wet, zijn verzoek handhaaft zal de beslissing daarop moeten worden genomen door het bevoegde overheidsorgaan of door de daartoe door dit orgaan gemachtigde ambtenaren.

Een afwijzende beslissing van of vanwege het overheidsorgaan wordt schriftelijk en gemotiveerd medegedeeld indien de verzoeker zijn verzoek handhaaft. Deze bepaling houdt rekening met de mogelijkheid dat de verzoeker door de organisatie, die zijn verzoek behandelt, overtuigd wordt van de redelijkheid van de afwijzing. Is dit niet het geval en volhardt de verzoeker