is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 652-680, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 4. Afkoop en overdracht van verzekeringen, gesloten tegen bruto-premies

Artikel 7c

1. De verzekerde, wiens verzekering ingevolge de Ouderdomswet 1919 in verband met het bepaalde in artikel 7a eindigt, verkrijgt op het in genoemd artikel bedoelde tijdstip recht op een afkoopsom ter hoogte van de contante waarde van de verzekering. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld voor de berekening van de contante waarde als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 7d

1. De in artikel 7c bedoelde afkoopsom wordt, behoudens in de in artikel 7e bedoelde gevallen, uitbetaald aan de gewezen verzekerde. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de afkoopsom, met inachtneming van door Onze Minister te stellen regelen, worden uitbetaald aan een ander dan de in dat lid bedoelde persoon.

Artikel 7e

1. Op het in artikel 7a, eerste lid, bedoelde tijdstip wordt aan een particuliere levensverzekeraar overgedragen de afkoopsom ter hoogte van de contante waarde van de tegen bruto-premies gesloten en de krachtens artikel 7a, eerste lid, geëindigde verzekering ingevolge de Ouderdomswet 1919, waarvoor a. de premiebetaling niet ingevolge artikel 20 of artikel 21, tweede lid, van genoemde wet is geëindigd; b. de premiebetaling ingevolge artikel 20 of artikel 21, tweede lid, van genoemde wet is geëindigd en het in artikel 20, tweede lid, onder b, van die wet bedoelde rentebedrag is vastgesteld op meer dan f 30,- per maand, een en ander mits door of voor de verzekerde binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn en overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen de wens daartoe te kennen is gegeven. 2. Voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, vindt de in de aanhef van dat lid bedoelde overdracht, behoudens in de in het volgende lid bedoelde gevallen, in ieder geval plaats, indien en voor zover het betreft een op grond van artikel 7a, eerste lid, geëindigde verzekering, welke diende tot uitvoering van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Pensioen-en spaarfondsenwet. 3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in het vorige lid ontheffing verlenen, indien hij van oordeel is, dat de belangen van de gewezen verzekerde voldoende gewaarborgd zijn. Deze ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden; zij kan voorts worden gewijzigd en ingetrokken. 4. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd om, in overleg met de particuliere levensverzekeraar, de in het eerste en tweede lid bedoelde overdracht geheel of gedeeltelijk te doen plaatsvinden in de vorm van beleggingen.

Artikel 7f

1. De particuliere levensverzekeraar verleent ten behoeve van de verzekerde, wiens afkoopsom ingevolge het bepaalde in artikel 7e, eerste en tweede lid, aan hem wordt overgedragen, onder aanwending van die afkoopsom zijn medewerking aan de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Levensverzekeringbedrijf (Stb. 1922, 716), welke voor die verzekerde verzekeringstechnisch tenminste gelijkwaardig is aan zijn verzekering ingevolge de Ouderdomswet 1919, waarop die afkoopsom betrekking heeft. Indien en voor zover de in de