is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 652-680, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór 1 oktober 1925, mits bedoelde tijd zonder onderbreking aansluit aan reeds voor pensioen geldige spoorwegdiensttijd, gelegen na 30 september 1925. 3. Het verzoek om inkoop moet binnen een jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet door de belanghebbende bij de directie worden ingediend. 4. De stukken die de directie nodig acht voor de behandeling van het verzoek moeten haar worden toegezonden binnen zes maanden nadat zij om toezending heeft gevraagd. Indien belanghebbende aan het bepaalde in de voorgaande volzin zonder aannemelijke reden niet voldoet, kan de directie het verzoek op die grond afwijzen.

Inkoopbijdrage

Artikel V 3

1. De directie stelt de tijd vast die op grond van artikel V 2 kan worden ingekocht alsmede de daarvoor te betalen inkoopbijdrage. 2. De bijdrage wordt berekend naar het tarief vermeld in artikel V 8. 3. De bijdrage komt ten laste van N.S. 4. De bijdrage wordt aan het fonds voldaan uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de directie op het verzoek om inkoop heeft beslist. Voor zover het verschuldigde na evengenoemde dag wordt ontvangen is aan het fonds, te rekenen van die dag af tot het tijdstip van ontvangst der betaling, een rente verschuldigd, te bepalen in de regelen bedoeld in artikel C 4, tweede lid. 5. De verplichting tot betaling van de bijdrage vervalt niet door het ontslag of het overlijden van de belanghebbende.

Verhaal inkoopbijdrage

Artikel V 4

1. De inkoopbijdrage wordt voor 75 percent en in tien jaren op de belanghebbende verhaald. Op verzoek van de belanghebbende kan het verhaal in minder dan tien jaren plaatsvinden. Het verhaal geschiedt overeenkomstig artikel 18b van de Pensioenwet 1925, zoals dit artikel laatstelijk luidde, met dien verstande dat voor de toepassing van het vijfde lid van genoemd artikel, indien belanghebbende een weduwe is in de zin van artikel V 1, onder b, de inhouding alleen plaatsvindt op het krachtens artikel V 6, eerste lid, herziene weduwen- en wezenpensioen, en dat artikel U 10 mede toepassing vindt. 2. De verplichting tot betaling van het verhaalbare deel van de bijdrage gaat bij overlijden van een belanghebbende als bedoeld in artikel V 1, onder a, over op de weduwe, de vrouw bedoeld in artikel G 4 en de weduwnaar, indien en zolang voor haar of hem uit hoofde van dit overlijden recht of uitzicht bestaat op pensioen. De voorgaande volzin geldt met dien verstande, dat elke verhaalstermijn wordt verminderd in dezelfde verhouding, als de op de inkoop gegronde verhoging van het weduwen-, bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen staat tot de overeenkomstige verhoging van het pensioen van de overledene; artikel H 9 blijft hierbij buiten beschouwing. 3. De directie brengt bij toekenning van pensioen aan een gewezen spoorwegambtenaar als bedoeld in artikel V 1, onder a, 2e, de ingekochte tijd slechts als diensttijd in aanmerking, indien door N.S. is verklaard, dat belanghebbende aan zijn verplichting tot betaling van het verhaalbare deel van de bijdrage heeft voldaan, dan wel dat met belanghebbende ter zake van die betaling ten genoegen van de N.S. een regeling is getroffen.