is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 681-700, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij de wet van 24 november 1978, Stb. nr. 694 werd de Wet gewetensbezwaren militaire dienst (hierna te noemen «de Wet»)» gewijzigd. Daarbij werd onder meer bepaald, dat de voorbereiding van beslissingen van de Minister van Defensie op verzoeken om erkenning van gewetensbezwaren tegen de militaire dienst in eerste instantie geschiedt met toepassing van een in vergelijking met de huidige gang van zaken vereenvoudigde procedure.

Artikel 5 en artikel 6, eerste en tweede lid, van de (gewijzigde) Wet, waarin dat is bepaald, zullen krachtens het overgangsartikel van genoemde wijzigingswet (art. II) in werking treden op een nader door de Kroon te bepalen tijdstip.

Zulks kan niet geschieden alvorens de uitvoeringsbepalingen van de Wet vervat in het Besluit gewetensbezwaren militaire dienst (hierna te noemen «het Besluit») aan de gewijzigde procedurebepalingen zullen zijn aangepast. Het onderhavige ontwerp-wijzigingsbesluit strekttot bedoelde aanpassing. Met name de vereenvoudigde procedure welke in eerste instantie wordt toegepast en de neerslag daarvan op de werkwijze van de Commissie van advies gewetenbezwaren militaire dienst (hierna te noemen «de Commissie») worden in dit ontwerp-besluit uitgewerkt. Kenmerkend voor die vereenvoudigde procedure is dat de verzoeker één lid van de Commissie ontmoet in een persoonlijk gesprek. Indien het lid na dat gesprek meent, dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de bezwaren onoverkomelijke bezwaren zijn als in de Wet bedoeld, zal hij de Minister van Defensie adviseren de bezwaren als zodanig te erkennen. Kan hij niet tot die mening komen, dan zal hij adviseren niet tot erkenning te besluiten. Alsdan volgt op grond van artikel 6, eerste lid van de Wet een nadere toetsing van de bezwaren door de Commissie volgens de meer uitgebreide procedure.

Hoofdstukken

Hoofdstuk II. Teneinde de overzichtelijkheid te bevorderen wordt Hoofdstuk II vervangen door een nieuw Hoofdstuk IIA betreffende de Commissie en het secretariaat, en een nieuw Hoofdstuk IIB betreffende de erkenningsprocedure.

Hoofdstuk III. Het bestaande Hoofdstuk III vervalt, nu bezwaren tegen de vervulling van de militaire dienst, bepaaldelijk gericht op de strijd met wapenen, niet langer als erkenningsgrond in de wet zijn opgenomen.

In het nieuwe Hoofdstuk III is een aantal vergoedingsregelingen opgenomen, zowel voor hen die in of voor de Commissie van advies werkzaamheden verrichten, als voor de verzoeker.

Artikelen

Artikel 3. Volgens dit artikel in zijn huidige vorm bestaat de Commissie uit ten minste zestien leden. Aanleiding tot het stellen van dit minimum aantal was destijds dat binnen dit aantal een voldoende spreidingsmogelijkheid van levensbeschouwing bij de leden aanwezig kon worden geacht. In het voorgestelde gewijzigde artikel is een minimum aantal leden niet meer opg e ' nomen. Dit berust op de overweging, dat in verband met de nieuwe procedure en voorts gezien de in de loop der jaren aanmerkelijk toegenomen aantallen verzoeken de omvang van het ledenbestand van de Commissie het voor bedoelde spreiding nodig geachte minimum zo ver zal overtreffen - ook thans is dat reeds het geval - dat het handhaven van de vermelding van dat minimumaantal geen reële zin meer heeft. Er is daarom volstaan met de meer zinvolle bepaling in artikel 3., eerste lid, over de noodzaak van een brede spreiding.