is toegevoegd aan je favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1996, no. 121-130, 01-01-1996

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het samenstellen van de inhoud van het ROSR 1995 is veel materiaal geïncorporeerd dat reeds bestond in de vorm van door de CCR vastgestelde dienstaanwijzingen aan de Commissies van Deskundigen dan wel als tijdelijke wijziging van het oude reglement. Voorts is waar mogelijk aansluiting gezocht bij de betreffende richtlijn van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG). De bepalingen hebben in veel gevallen een duidelijker redactie gekregen zodat een juiste interpretatie wordt bevorderd. Over het geheel genomen zijn derhalve enerzijds meer voorschriften in het reglement opgenomen, maar zijn deze anderzijds systematischer en toegankelijker geworden.

De CCR heeft bij haar najaarszitting van 24 november 1994 tevens het stelsel van niet minder dan 45 dienstaanwijzingen aan de Commissies van Deskundigen vervangen door 11 nieuwe richtlijnen (protocollen 1994-11-21 en 1995-1-16). Deze zijn in Nederland bij de bekendmaking aan de Rijnscheepvaart nr. 6/1995 van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 1995, 123) gepubliceerd. Bij de voorbereiding zowel van het ROSR 1995 als van de nieuwe richtlijnen is een duidelijke gezagsverhouding tussen beide niveaus van regeling in acht genomen.

Het ROSR 1995 telt 24 hoofdstukken tegenover de 15 hoofdstukken van het oude ROSR. De materie die in het oude deel II (Bouw, inrichting en uitrusting) verdeeld was over 11 hoofdstukken beslaat thans 20 hoofdstukken. Het oude hoofdstuk 3 (Scheepsbouwkundige eisen) is hierbij opgesplitst in 7 hoofdstukken: hoofdstuk 3 - Scheepsbouwkundige eisen; hoofdstuk 5 - Manoeuvreereigenschappen; hoofdstuk 6 - Stuurinrichtingen; hoofdstuk 7 - Stuurhuis; hoofdstuk 11 - Veiligheid op de werkplek; hoofdstuk 12 - Verblijven; hoofdstuk 13 - Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen.

Geheel nieuw zijn de hoofdstukken 18 (Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden), 20 (Bijzondere bepalingen voor zeeschepen), 21 (Bijzondere bepalingen voor pleziervaartuigen) en 22 (Stabiliteit van schepen die containers vervoeren). Hoofdstuk 23 (Bemanning) komt geheel overeen met het oude hoofdstuk 14 zoals dat was vastgesteld bij protocol 1987-1-11 en dat voor de Rijn in Nederland is van kracht verklaard bij koninklijk besluit van 29 september 1988 (Stb. 674).

Van de 6 oude bijlagen is de oude bijlage E (Toelating van speciale ankers met verminderd gewicht) vervallen. Het model voor het vaartijdenboek vormt de nieuwe bijlage E. Andere nieuwe bijlagen zijn: F (Model van het dienstboekje), G (Model van het speciale certificaat voor zeeschepen die de Rijn bevaren) en H (Eisen inzake tachografen en voorschriften voor de inbouw van tachografen aan boord).

Zoals gebruikelijk wordt de onderhavige algemene maatregel van bestuur niet gebaseerd op een wet, maar rechtstreeks op artikel 89, eerste lid, van de Grondwet. Het gaat in deze regeling immers slechts om het voor de Rijn in Nederland van kracht verklaren van de ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften. Deze hebben het karakter van een uitvoeringsverdrag van genoemde akte. De strafsanctie op de niet-naleving van de internationale voorschriften voor de Rijn is neergelegd in de Herziene Rijnvaartakte zelf (artikel 32).

Dezelfde constructie is gevolgd bij het Reglement Rijnschipperspatenten en het Reglement radardiploma Rijn. Het Reglement van politie voor de Rijnvaart (thans: Rijnvaartpolitiereglement 1995) wordt sedert de totstandkoming van de Scheepvaartverkeerswet (artikel 51) wel (mede) op die wet gebaseerd.