is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1172, 02-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cultureel werk op het platteland

Het werkloseninternaat te Kortehemmen (Fr.) van 24—29 Jan. l.l.

In het Volksblad van 29 Jan. 1.1. staat een pakkend en duidelijk artikel van de hand van een geestverwant over het prachtige werk van Kortehemmen. In dit internaat waren 48 werkloze mannen, twee predikanten voor de leiding, waarbij twee vrouwen uit de provincie Groningen behulpzaam waren. Eén van .deze beide laatsten was ik zelf. En nu lijkt het mij goed, dat U, vrouwen van Friesland en Groningen, ook eens wat hoort van het leven in zo'n internaat. Maar nu ook eens gezien met de ogen yan een vrouw, gevoeld met het hart ,van een moeder. Over het mooie, frisse huis heeft U gelezen, over de wandelingen in de Friese bosstreek is u verteld, daarom wil ik u iets verhalen van die eenvoudige dagelijkse dingen uit ons samenzijn.

De eerste avond waren wij allemaal reeds thuis en er werden al gesprekken aangeknoopt en geluisterd naar de woorden van ds. Van Apeldoorn en van de jonge vrouwelijke predikante!

En Dinsdagmorgen liep alles al op rolletjes! Na het ontbijt kwamen er spannende momenten, want er moest afgewassen worden, aardappels gejast! Corvée! Een enkele makker, hier en daar, dook zo'n beetje weg achter de rug van een kameraad! Ze werden een beetje wit om de neus bij het zien van die eindeloze rijen vuile borden en kopjes, die weer schoon moesten!

Maar toch had ik een reuzenschik toen juist één van die verwende „huisvaders" moest afwassen. Ik hield hem in de gaten! Met veel vertoon van ijver

stroopte hij de mouwen op, tot vèr boven de elleboog en slingerde vol energie over elke schouder een theedoek! Jammer verbazend jammer dat ik toen geen kiekje van hem nemen kon!

Maar, hij hééft afgewassen! Alleen... ik moest hem „zweren" het nooit aan z'n vrouw te vertellen...!

Dat was er een van de oude garde! De jongelui vochten erom, want bij onze gezellige keukenprinses en de aardige meisjes in de keuken was het best uit te houden en ze zongen er samen het hoogste lied!

Wat is er gezongen én gelachen, wat zijn wij allemaal eigenlijk nog gelukkige kinderen in déze omgeving.

De boswandelingen, het theeuurtje, het werden feesten van vriendschap en vrolijkheid!

Wat was het stil bij de morgenwijdingen en aandachtig bij de lezingen. De gehele week was gewijd aan toestanden op het platteland. En er werd veel gevraagd en stil geluisterd.

En toen kwamen de vragen. Typerend is onmiddellijk de twee groepen van werklozen, de seizoenslachtoffers en zijdie, al jaren... geen arbeid meer kennen.

Al is dit seizoenverschijnsel op zich zelf al érg genoeg, want de mensen worden er telkens weer opnieuw door getroffen, zij zijn over 't algemeen opgewekter dan de anderen. Zij werken nog, al is het dan maar korten tijd van het jaar.

Begrijpt u mij goed! Ook hier is nood en verbittering aanwezig... en begrijpelijk. Onze taak is het er steeds weer de aandacht op te vestigen!

Maar... er waren mensen, die 4, 5, ja zes jaar lang werkloos waren en mij wanhopig vroegen: „Denkt u werkelijk, dat wij in dit maatschappelijk stelsel nog ooit een kans krijgen?" „Wij maken ons geen illusies meer!"

En dan is mij nog iets opgevallen. Allen, zonder uitzondering, zeggen: „wij hebben het hard, maar onze vrouwen hebben het oneindig veel zwaarder!" Bijna zonder uitzondering spraken zij vol liefde over hun dappere levenskameraad én over hun kinderen!

En dan waren er, jonge mannen, die na eindeloze jaren van verloving, het gewaagd hebben, elkaar voor het leven de hand te reiken! En ze zijn getrouwd en nu vechten ze samen tegen het noodlot in deze onbarmhartige wereld en ef ligt een diepere glans in hun ogen! Zelfs heeft er één van hen een kleine baby, waar hij maar niet over uitgepraat raakt! Er is in hen een wondere heldhaftigheid en moed en het leven zal hen niet gauw breken!

Nog een ding valt mij deze week sterk op! De bereidwilligheid tot het werk, tot è.lle werk, ook tot dat wat den man nu niet bepaald ligt. Een heel enkele uitgezonderd, stonden zij gewillig voor hun dagelijkse taak en deden dit met liefde.

Wij hebben hun gewezen op het feit, dat wij allen elkaar nodig hebben, en dat juist zij, verbitterde en uitgestoten kameraden, hun stem moeten laten klinken!

Voor ons allen, maar vooral voor hen ligt een zware taak, laten wij die elkaar lichter maken. Draagt over deze wereld uit, de mensenliefde, die wij zo sterk gevoeld hebben in Kortehemmen.

J. L.—V.

Wij waren genoodzaakt dit artikel te verkorten.

PRI LA LASTAJ TAGOJ DE DOKTORO ZAMENHOF.

......Printempo venis. Li pensadis muite kaj

skribadis urge. Nova homaro devas organizigi Sed kiom laciga nedormado! Klom turmenta la deviga sidado! Kiom dolora la batado de 1' koro!

Ho. mia kor', ne batu maltrankvile.

El mia brusto nun ne saltu for!

Jam teni min ne povas mi facile,

Ho, mia kor'!

Ripozi, dormi ec kelkajn minutojn! Unu tagon la kuraeisto permesis al li momenton. Estis la 14-a de aprilo 1917. Li etendigis sur kanapo. Al pordo la edzino akompanis la doktoron. Dume li sentis sin pli bone. Fine iom da ripozo,

tiom sopirita! Sed jam li eksufokigis. Li

volis voki. La voco haltis en lia gorgo. Jen alkuris la edzino. Si helpis lin residi! Ve! jam cesis bati tiu koro, batinta tiel forte por la homaro. Jam venis la ripozo liberiga.

Ho, mia kor'! Post longa laborado

Cu mi ne venkos en deeida hor'?

Sufice! Trankviligu de 1'batado,

Ho, mia kor'!

En tago pluva, malhela, malvarma, la Varsoviaj Esperantistoj akompanis la cerkon al tombejo. Por tiu vasta rondo familia, kies delegitoj ciujare lin aklamis en kongresoj, la landlimoj restis fermitaj. Nur kelkaj Poloj. Grabowski, Belmont, germana sipestro Neubart, povis diri adiaüon en la nomo de tiu ciulanda popoio, kiu lin amis kaj priploris en la tuta mondo. De la registaro, neniu. Honorigo. nenia. Nur la amaso popola, la humila kli'entaro de 1'hebrea kvartalo, en siaj laborvestoj. Multaj junuloj dankemaj. Multaj geviroj kortusitaj.

Kiel la enterigo de Tolstoj inter vilaganoj, gi estis la plej alta, je plej taüga simbolo. Efektive nur mortis la homo. la viro 57-jara, ja malrica

okulisto. Sed restis la granda verko Eterne

vivos kaj diskreskos cie lia semo pensa. Jam dekmiloj da homoj sanktigis lian nomon. lam tuta homaro rekonos lin gvidanto al frata re-pacigo.

Sur lia skribotablo kusis lasta man-skibajo krajona, nefinita. Gi estis plano de artikolo pri senmorteco de 1'animo. Kion kredis mem tiu granda amiko de 1'homaro? Kia do estis la fundo de lia kredo? Kiel li pensis pri aferoj transmortaj kaj nekrontroleblaj ?

Pri sia persono li estis silentema ciam. Liaj proksimuloj ec ne povus respondi. Ili vidis nur kiamaniere li vivis: bonkore, pure, modeste, helpeme, ofere, mirinde pacience kun ciuj! neniam ofende per ago aü parolo kontraü iu ajn, ciam simpatie aüskulteme al ceteraj homoj, ec al tedaj. Al ciuj, edzino, fratoj, gefiloj! nevinoj, amikoj, klientoj, li aperis kiel homo sankta. En turmentaj horoj ciuj venis al li por konsilo. „Li neniam pekis", diris malnova servantino pola. montrante lian portreton sub Sia krucifikso. Kiom da famuloj restis grandaj en la okuloj de 1'servantoj?

(El: „Vivo de Zamenhof", de Edmond Pri vat.)

RIDO SANIGAS.

Post caso.

„Hieraü, dum la caso, kuglo flugis rekte super mia kapo. Unu centimetron pli malalte, kaj vi parolus kun kadavro."

Se li antaüe pripensos

— Neniam mi povus edzinigi al viro, kiu ne ciam antaüe pripensus, kion li faras.

— Vi do intencas resti fraülino?!

Partianoj.

Ekzistas du kategorioj de partiaj politikistoj: tiuj, kiuj silentas, kaj tiuj. kiuj parolas La silentantaj neniam mensogas, kaj la parolantaj neniam diras le veron.

En la lernejo.

Instruisto: Diru, Petro, kial mi nun punis vin?

Petro (singultante): Tiel forte oni ne batu, se oni mem ne scias, kial! M. v. E.