is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1178, 13-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VORIGE: Nollie Pierson de 17-iarlge dochter van een predikant ontmoet in 191B bij haai oom en tante waai zij gelogeerd it een jong officier. Cyril Morland Zij verloven /ich en willen trouwen voói ni.i naar het iront moet Tante Thera veelt voot de jongelieden maar de vader wil geen toestemming geven Ais Cyril plotseling wordt opgeroepen maken 11] s avonds samen een tocht naai een stille plek en op Nollie's aandringen wordt zij daai z"n vrouw Zij wil nu verpleegster worden en gaat naai een hospitaal, waar een nicht, Leila Lynch, hooldverpleegster is. Dooi haar leert zij kapitein Fort een vriend van Leila, kennen, een 40-jarig man, die gewond terug is gekomen. Cyril sneuvelt. Het blijkt, dat Nollie een babij verwacht. Gratian, haar zuster en haar man komen over en vernemen N.'s toestand. In een park maakt ze kennis met een Belgisch schilder, die ze vraagt haar vader te komen bezoeken.

No. 25.

Ze wandelde verder. De lucht was om de ondergaande zon geheel bewolkt geworden, en de uitheemse, kronkelingen op de platanen-takken tegen die Frans-grijze, goudgerande massa, was bijzonder liefelijk om te zien. Schoonheid en de smart van anderen verzachtten haar lijden. Zij had medelijden met den schilder, maar zijn ogen zagen te veel. En zijn woorden: als u ooit anders handelt dan anderen, gaven haar een onrustig gevoel. Was het waar, dat de mensen altijd hen, die anders handelen, veroordeelden en niet van hen hielden? Als haar oude schoolvriendinnen nu wisten, wat haar te wachten stond, hoe zouden zij haar dan behandelen? In haar vaders studeerkamer hing een kleine reproductie van een aardige schilderij in het Louvre, een „Roof van Europa" van een onbekend schilder — een humoristisch, fijn ding, van een verrukt, blondharig meisje, gezeten op een trotsen, witten stier, een ondiepe stroom overstekend, terwijl op de oever al haar bleke vriendinnetjes bijeenstaan, die de half spijtige, half benijdende gezichten afwenden van dat al te gevaarlijke schouwspel, terwijl een van haar met verlegen wanhopigheid tracht schrijlings op een zittende koe te stijgen en te volgen. Het gezicht van het meisje op den stier was eens door iemand vergeleken met het hare. Ze dacht nu aan dat schilderij en zag haar schoolmakkertjes, een troepje gechoqueerde en verwonderde meisjes. Verbeeld je, dat een van haar in haar positie was! „Zou ik mijn gezicht hebben afgewend, als de anderen? Ik zou het niet — neen — ik zou het niet gedaan hebben," dacht ze, „ik zou het begrepen hebben." Maar ze w'st, dat er een soort van valse verheffing in haar gedachte was. Instinctief voelde ze, dat de schilder gelijk had. Iemand, die anders

handelde dan de anderen, was verloren.

Ze vertelde haar vader van de ontmoeting, er bij voegend: „Ik denk, dat hij komen zal, vadertje."

Pierson antwoordde dromerig: „De arme kerel, het zal me plezier doen hem te ontvangen, als hij komt."

„En u wilt voor hem poseren, niet waar?"

„Maar, lieve — ik?"

„Hij is eenzaam, weet u, en de mensen zijn niet aardig voor hem. Is het niet lelijk, dat mensen anderen moeten kwetsen, omdat ze vreemd zijn, of verschillend van hen?"

Ze zag, hoe zijn ogen in zachte verbazing opengingen en ging voort: ..Ik weet, dat u denkt, dat de mensen liefderijk zijn, vader, maar dat zijn ze niet natuurlijk."

„Dat is nu juist niet liefderijk, Nollie."

„Ik weet, dat ze het niet zijn. Ik denk, dat zonde dikwijls alleen maar betekent: de dingen anders doen. Het is geen echte zonde, als het alleen jezelf zeer doet, maar dat verhindert de mensen niet om je te veroordelen, wel?"

„Ik weet niet, wat je bedoelt, Nollie".

Nollie beet zich op de lippen, en mompelde: „Weet u zeker, vader, dat we werkelijk Christenen zijn?"

De vraag was zo verbluffend van zijn eigen dochter, dat Pierson zijn toevlucht nam tot een poging om geestig te zijn.

„Ik zou deze vraag in overweging willen nemen, Nollie, zoals ze in het Parlement zeggen."

„Dat betekent, dat u het niet zeker weet."

Pierson kreeg een kleur.

„We falen zeker genoeg; maar kind, haal je zulke gedachten niet in je hoofd. Er is in deze dagen een heleboel oproerige praat en geschrijf."

Nollie sloeg de handen in elkaar achter haar hoofd.

„Ik denk," zei ze, recht voor zich uitziende, en voor zich heen pratend, „dat christelijkheid is, wat je doet, niet wat je denkt of zegt. En ik geloof niet, dat mensen Christenen kunnen zijn, als ze handelen als anderen. Ik meen, als ze zich verenigen om te veroordelen en mensen pijn te doen."

P erson stond op en liep 1e kamer op en neer.

„Je hebt niet genoeg van het leven gezien om zo te praten," zei hij.

Maar Nollie ging voort: „Een van de mannen in het hospitaal vertelde Gratian van de behandeling, die degenen ondervinden, die gewetensbezwaren hebben — het was afschuwelijk. Waarom behandelen ze

ze zo, alleen omdat ze het er niet mee eens zijn? Kapitein Fort zegt, dat het de vrees is, die de mensen tot twistzoekers maakt. Maar hoe kan het vrees zijn, als er honderden zijn tegen één? Hij zegt, de mens heeft zijn dieren overheerst, maar is er nooit in geslaagd zichzelf te beheersen. De mens moet een wild beest zijn, weet u, of de wereld kon niet zo ontzettend dierlijk zijn. Ik zie niet veel verschil in het dierlijk zijn om goede redenen, of dierlijk zijn om slechte."

Pierson keek op haar neer met een droevige glimlach. Er was iets fantastisch voor hem in dit plotselinge philosopheren van iemand, die hij had zien opgroeien. Uit de mond der kinderen... somtijds!

En hij stond naar Nollie te kijken, uiterst verwonderd, niets vermoedend van het harde feit, dat haar ouder maakte —• op een vage wijze afgunstig, angstig en gepijnigd. En toen ze naar bed was gegaan, liep hij peinzend cle kamer op en neer, lange tijd.

HOOFDSTUK VIII.

Leila dronk haar nieuw leven met volle teugen. Wanneer ze liefhad, was het altijd met volle overgave geweest en zo was haar passie altijd eerder uitgebrand dan die van haar partner. Dit was natuurlijk een groot voordeel voor haar geweest. Niet, dat Leila ooit verwacht had, dat haar hartstochten vanzelf uitgebrand zouden raken. Als ze verliefd werd, had ze altijd gedacht, dat het voor altijd was. Deze keer was ze er zeker van, zekerder dan ze het ooit geweest was. Jimmy Fort scheen haar de man, naar wien ze haar leven lang had uitgekeken. Hij zag er niet zo knap uit als Fane of Lynch, maar naast hem schenen die twee haar nu bijna belachelijk toe.

Inderdaad, ze maakten in het geheel geen figuur. Ze krompen, ze verwelkten, het waren holle vaten, evenals de anderen voor wie ze een voorbijgaande zwakheid had gehad. Er was nu maar één man in de wereld voor haar, en zou er altijd maar zijn. Ook idealiseerde ze hem niet, het was ernstiger; ze was diep ontroerd door zijn stem, zijn aanraking; ze droomde van hem, verlangde naar hem, als hij niet bij haar was. Ze maakte zich bezorgd ook, want ze merkte heel goed, dat hij niet half zoveel van haar hield, als zij van hem.

Ze was begonnen een eigenaardige geheime jaloezie te koesteren tegen Nollie! Ofschoon ze niet zou hebben kunnen zeggen waarom. Het was misschien eenvoudig te wijten aan haar leeftijd, of kwam voort uit die vage gelijkenis tussen haar en iemand, die zelfs aan schoonheid overtrof, wat zij in haar jeugd geweest was; of door de toespelingen, die Fort soms maakte op wat hij „die kleine sprookjesprinses" noemde. Iets ingewikkelds, instinctiefs gaf haar die jaloezie. Tot de dood van den geliefde van haar jonge nichtje had ze zich veilig gevoeld, want Jimmy Fort zou de hand niet uitsteken naar een anders eigendom; had hij dit niet in vroeger dagen bewezen, toen hij van haar was weggelopen? En ze had het vaak berouwd, dat ze hem van Cyril Morland's dood had verteld.

(Wordt vervolgd).