is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1183, 18-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelukkig wel meevallen," troostte tante Greet, „dat denken we allemaal wel eens — en na een uurtje lachen we weer. Je bent op het ogenblik net als die kleine Kay uit het sprookje van Andersen, de Sneeuwkoningin, weet je wel? Die had een stukje van een toverspiegel in zijn oog gekregen — en daardoor zag hij alles lelijk; z'n hart werd op het laatst een ijsklomp, want hij kon nergens meer licht en warmte ontdekken. Herinner je je nog wel?" — „Ja," zei Elsje, „en hoe liep het ook weer af? O, ja, — zijn vriendinnetje Gerda ging hem zoeken — en doordat ze zoveel van hem hield en zo'n medelijden met hem had — smolt de ijskorst om zijn hart." — „Juist," knikte tante Greet, „en toen kon hij het mooie in de wereld weer zien. Dat wij, mensen, van elkaar kunnen houden, zie je, dat is toch maar het allermooiste in de wereld." — „Ja," zei Elsje, „als ik ook maar zo iemand had als die kleine Gerda, — maar voor mij zou niemand zo'n gevaarlijke, verre reis maken, van mij houdt niemand écht." En toen kwamen de tranen

„Nee, maar, Elsje," zei tante Greet, „hè, wat is dat nou voor een idee! En ik dan ... en je tante Mies — en zoveel andere kinderen hier." Maar Elsje was zo gauw niet te troosten.

Toen trok tante Greet haar naar zich toe. „Hoor eens," zei ze, „ik zal je eens iets vertellen, iets over mij zelf. Misschien helpt dat je een beetje." Elsje wou wel luisteren, al geloofde ze niet zo direct, dat het helpen zou. Maar ja, — die arm van tante Greet om haar schouders was toch heus al een beetje prettig.

En tante Greet vertelde. Tante Greet was ook eens een eenzaam klein meisje geweest, net als Elsje nu. Ja, eigenlijk yeel eenzamer, want ze woonde alleen bij een ziekelijke grootmoeder en ze mocht nooit vriendinnetjes te spelen hebben, omdat het thuis rustig moest zijn. Toen ze achttien jaar was stierf ook de grootmoeder en nu was Greetje wel helemaal alleen op de wereld. Ze ging naar een kantoor, maar daar vond ze het niet prettig, — ze leerde intussen voor onderwijzeres. Dat viel niet mee hoor, — overdag hard werken en dan 's avonds nog leren. „Weet je," vertelde tante Greet, „in die tijd voelde ik me net zo als jij zo even, — ik was treurig en moe, — ik dacht ook: wat geeft 't allemaal — en er is toch niemand, die van me houdt. En toen .." Elsje luisterde nu gespannen. O, toen was er zeker een wonder gebeurd! Want tante Greet was nu nooit treurig en je merkte nooit, dat ze moe was!

„Toen," zei tante Greet, „liep ik eens op een avond te dwalen door de stad. Ik was weer zo moedeloos en voelde me zo alleen ... Er kwam opeens een kleine jongen op mij toelopen. Hij trok mij aan mijn manlel en vroeg: „Juf, heb je niet een paar centen voor me, — we hebben thuis zo'n honger." Ik schrok, — wat klonk dat akelig, „honger", en wat zag het jongetje mager en bleek. Maar ook: wat keek hij vertrouwend naar mij op, net of hij van mij een heleboel verwachtte ... Ik dacht er opeens niet meer aan, dat ik alleen was, — ik voelde, dat er veel mensen om mij heen waren, mensen, die mij iets vroegen ... Natuurlijk gaf ik dat jongetje wat, — maar ik begreep wel, dat ik daar niet mee klaar was. Er is zoveel honger in de wereld, we hebben ons hele leven wel nodig om daar iéts van weg te nemen. Er zijn mensen, die op ons wachten. Op jou ook, Elsje ..." — „En bent u toen voor kinderen gaan zorgen, — heeft u toen het kinderhuis „In de zon" geopend?" vroeg Elsje. „Ja, — dat kwam toen al gauw," zei tante Greet,

„ik moest aldoor denken aan dat jongetje, dat zo vertrouwend naar mij opkeek. Maar ik b^n nooit meer eenzaam geweest, — ik weet, dat alle mensen bij elkaar horen en met elkaar moeten proberen het beter te maken op deze wereld. Als jij nu eens naar Wiesje ging kijken, Els. die heeft je vriendschap nu vast wel nodig. Daar is er al eentje, die je kunt troosten. Hou jij maar veel van de mensen, Els, en probeer ze te helpen. Dan zullen er ook vast veel mensen van jou houden. Er is een heleboel verdriet op de wereld, maar wij moeten met elkaar proberen er toch iets goeds van te maken."

Elsje gaf tante Greet een zoen, ze begreep er wel iets van. Als je aan anderen denkt vergeet je te piekeren. Daarom was tante Greet zeker altijd zo fleurig. Elsje wou proberen Wiesje wat te troosten. Als ze haar huiswerk af had, nam ze Wiesje mee op de fiets naar tante Mies. Ze moest het stukje van de lelijke toverspiegel uit haar ogen wegwerken. BEP OTTEN.

De Zangweidle

Hoe het komt, dat de kikkers 's Zomers 's avonds zo kwaken

Er was eens een weide, die werd de Zangweide genoemd. Alle mensen in de buurt wisten waar de Zangweide was en alle kinderen in de buurt hielden veel van de Zangweide en speelden er graag. Het was er ook erg prettig. Er groeiden een paar bomen aan de kant van een slootje, daar kwamen de kinderen nooit, maar verder stonden er oneindig veel bloemetjes: boterbloemen, madeliefjes en paardebloemen. In het midden was een groot hek, daar kon je fijn overheen klauteren en er waren nog veel meer prettige dingen op die Zangweide.

Maar hoe kwam die weide nu aan zo'n mooie naam? Dat komt omdat in de bomen, die aan de kant van het slootje stonden, je weet wel, waar de kinderen niet mochten komen, heel veel nestjes waren, waarin vogels woonden. En die vogels zaten daar de lieve lange dag te zingen dat het een plezier was om te horen. Zodra het maar mooi weer was en de zon zich liet zien, begonnen al die vogeltjes te kwinkeleren, de een nog mooier dan de ander. Hebben jullie er wel eens goed naar geluisterd, hoe mooi de vogels kunnen zingen? Nog nooit? Dan moet je eens goed opletten 's morgens vroeg, zo als je uit je bedje komt.

In de sloot, waarvan ik al vertelde, woonde een hele grote kikkerfamilie. Papa en mama kikker waren erg dik en hun grote ronde ogen puilden haast uit hun koppen.

De kleine kikkertjes waren grappig om te zien, vooral als ze opsprongen, dan leken ze heel lang en hadden ze opeens hele lange achterpoten. Ze probeerden wie het verste kon springen in de sloot, en dan was het een getjoemp en een geplas, en het water in de sloot was bedekt met allemaal rimpeltjes en kringetjes. Het gebeurde ook wel eens, dat de kikkertjes zich voor elkaar verstopten in het gras, daar een hele tijd bleven zitten, dan opsprongen en zich weer verstopten. Zo speelden ze de hele dag.

Op een dag was het weer heel erg mooi. De zon scheen, zoals zij nog nooit geschenen had. De bloemetjes richtten hun kopjes allemaal op en stonden te glanzen van plezier. Zelfs de grashalmpjes in hun