is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1188, 22-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik had er op moeten zitten!" gilde Groentje vijf en sloeg met zijn kleine vuistje naar Blauwtje vier om hem wakker te krijgen. Nou, die vond dat niets prettig en knorrig keerde hij zich om, maar Groentje vijf liet hem niet met rust en toen Roodje twee aan zijn andere arm begon te trekken, wreef hij zijn ogen maar uit en luisterde naar alles wat de anderen hem te vertellen hadden. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, sprong hij hals over kop uit het postzegeldoosje en riep: „Wat moeten we doen? We kunnen het zo niet laten... die arme Groentje drie zal een lelijke stempel van strafport krijgen en die schande moeten we hem besparen."

De andere mannetjes klommen ook uit het doosje, wat gelukkig dat Leent je vergeten had het dekseltje dicht te doen! Ze huppelden met z'n allen naar de schoorsteen, klauterden naar boven en keken medelijdend naar Groentje drie, die zacht snikkend op de brief lag. Groentje drie zwaaide met zijn armen en benen. Hij voelde zich niets op zijn gemak,

want hij wist wel dat hij eigenlijk niet op deze brief mocht zitten, maar Leentje had zijn hele rug vastgeplakt en hij kon er niet meer af!

„We zullen je helpen!" zei Roodje twee en peuterde voorzichtig een hoekje los.

„Au!!" gilde Groentje drie en twee grote tranen gleden over zijn wangen.

„Je moet maar even op je tanden bijten," zei Roodje en trok nog eens. Blauwtje vier hielp hem een handje, maar opeens scheurde hij

een heel klein stukje van Groentje af. O, Krat jammerde het arme ding. Blauwtje schrok er zelf van en droogde haastig zijn tranen, maar daarmede was Groentje niet los! Groentje riep dat niemand meer aan hem mocht komen, hij zei dat hij nog liever een strafstempel wilde hebben dan doodgaan! De anderen keken wanhopig rond.

Een grote bloemen vaas die alles had gezien, glimlachte vriendelijk.

„Ik kan jullie wel van dienst zijn," zei ze en knikte nog eens, „mijn water kan Groentje drie wel losmaken zonder dat hij scheurt... Maar ik kan alléén mijn water niet uit mijn lijfje krijgen... Kunnen jullie dat soms?"

De postzegelmannetjes praatten druk onder elkaar op welke manier zij het water uit de vaas zouden krijgen en opeens wist Paarsje tien, als oudste en wijste, wat er gedaan moest worden. Hij huppelde terug naar de schrijftafel en riep beleefd de hulp in van het postzegelsponsje. Toen deze dame hoorde wat er gebeurd was ging ze

meteen mee. Paarsje moest haar wel voorttrekken, want zij kon niet zo goed lopen, haar beentjes waren heel kort. Maar ze was heel verstandig. Ze liet zich in de vaas vallen en dronk zoveel water als zij

maar verdragen kon. Toen klauterde zij uit de vaas, geholpen door de postzegelmannetjes en maakte Groentje drie helemaal nat. Hij dronk gulzig haar water. De andere probeerden nog eens voorzichtig en opeens liet de rug van Groentje drie los! Druipend, maar vrolijk stond hij op en omhelsde het sponsje. Ook de vaas werd hartelijk bedankt. Groentje drie voelde bijna niets meer van het kleine scheurtje. Het was alleen heel vervelend dat hij zo nat was. Toen gingen de anderen met hem voor de kachel op en neer wandelen en zo werd Groentje drie droog! Toch... hoe blij hij ook was, helemaal in orde was hij niet. Opeens wist hij wat hem scheelde. Zijn gom was weg! Anders zat er een dikke warme laag gom op zijn rug, maar die was nou door het water opgelost! Hij begon bijna te huilen van angst.

„Wat moet er van mij worden?" snikte hij, „zonder gom ben ik niets waard."

Toen de bloemenvaas dat hoorde, stelde zij hem meteen gerust.

De mensen kunnen je heus nog wel gebruiken," vertelde zij, „ze doen dan met een kwastje wat nieuwe gom op je rug en je zult evengoed op je bestemming komen!"

Nu was het postzegelmannetje gerust gesteld en toen hij droog was ging hij met de anderen mee naar het doosje. Alleen Groentje vijf ging niet mee.

„Ik wens jullie het beste," zei hij opgewekt, „ik ga morgen weg en ik groet jullie nu maar vast. Ik zal op de brief gaan liggen, dan vinden de mensen mij wel." Met een sprongetje wipte hij op de brief en sliep meteen in.

Nauwelijks waren de andere zegels in het doosje gestapt, of de klok sloeg vier uur. Nu verdwenen hun armen en beentjes en ook hun grappige hoofdjes... Nog even keken zij elkaar aan voordat zij in slaap vielen en zuchtten blij: Dat was nog net op tijd!

Ik sloop op mijn tenen de kamer uit en vertelde niemand wat ik had gezien.

De volgende morgen zag moeder het zegel los op de brief liggen en