is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1189, 29-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen rijk in de wijde omtrek was zo groot en machtig, als het hunne, geen vorstelijke familie had zoveel schatten en was zo gezond en krachtig.

Zeven machtige vorsten waren uit dat geslacht voortgekomen, en allen hadden geleefd en waren gestorven voor het welzijn van hun land.

En toen kwam de achtste vorst op de troon, en zijn naam was Ane.

Toen Ane begon te regeren, was er geen oorlog meer in het land en geen gevaar dreigde. De mensen hadden de kunst geleerd om het land te bebouwen, en de dieren, die ze nodig hadden voor hun levensonderhoud, behoefden ze niet meer op te zoeken in de bossen en de wilde, hoge bergen: ze hielden ze gevangen in stallen en gebruikten ze naar hen goed dacht.

De koning had weinig zorgen. En dat was goed, want hij was niet zo groot en sterk als zijn voorgangers. Van de jacht hield hij niet, van de oorlog wist hij niet en hij zou er tegen hebben opgezien de strijd aan te binden tegen rovers en dieven of tegen kudden wilde dieren, die de welstand van de boeren bedreigden.

Maar dat was ook niet nodig: zijn vaderen hadden dat voor hem gedaan.

Hij was een stille, magere jongeling, dié zich liefst door priesters en wijze mannen vertellen liet van de goden en de helden uit vroeger tijd, en van de geheimen der natuur.

En dikwijls was hij in die verhalen zo verdiept, dat hij vergat te eten en te drinken en te slapen.

Maar toen de jaren voorbijgingen, het ene jaar na het andere, begon de koning onrustig te worden en minder vreugde te hebben aan zijn leven.

Zijn rijk was nog even groot en machtig, zijn schatten waren heerlijk, hij was getrouwd met de schoonste en beste vrouw die er op de wereld bestond en zij had hem zes zonen geschonken; maar er was iets, dat de koning verontrustte.

Hij was niet jong meer. Zijn haar werd wit, zijn armen werden magerder dan ze geweest waren, zijn ogen konden niet zo scherp meer zien als in vroeger jaren. De koning werd oud. En hij voelde, dat hij sterven zou.

„Is er geen mogelijkheid," vroeg hij aan de priesters en de geleerde mannen, die zijn vrienden waren, „is er geen mogelijkheid, voor een groot en machtig vorst als ik ben, om te blijven leven? Wat helpt me mijn macht en eer en rijkdom, als ik toch sterven moet, net als elk klein boertje in mijn rijk. Net als mijn knechten en mijn slaven, ja, zoals de beesten op het veld?"

De priesters dachten lang na en ze bestudeerden de runen2) en tekenen op de heilige stenen en ten slotte gaven zij hem antwoord.

„Het is niet mogelijk, o Koning, dat enig mens in leven blijft, we moeten allen sterven. Maar Odin,5) de grootste van alle goden, heeft gezegd: „wie mij zijn oudste zoon offert, diens leven zal met tien jaar worden verlengd."

') Runen (spreek uit: roenen) zijn de oudste lettertekens van de Noorse volken, die oorspronkelijk als geheimschrift of toverschrift dienden. Ze werden in hout of steen gegrift, later ontstond hieruit het gewone schrift van het volk.

s) Odin of Wodan was de opperste Godheid van de Germanen. Een ruwe God, die zich in offers verheugde, zo dachten hem de mensen uit die tijd.

Toen liet de koning zijn oudste zoon halen en kleedde hem in purper en kostbare pelsen en een hele lange nacht zongen de priesters en de barden heilige liederen en de harpspelers tokkelden op hun snaren en de jonge tempeldienaren bliezen op hun horens en trompetten. Maar voor de morgenzon haar eerste stralen uitzond over de horizon, werd de kroonprins gebracht naar de eikenboom, die aan Odin is geheiligd en daar ten offer gebracht.

Daarna leefde koning Ane tien jaar onbezorgd en zonder angst voor de dood. Maar toen de tijd bijna verstreken was, kwam de angst terug.

„Ik ben niet beter dan de hond, die aan mijn voeten ligt," klaagde hij. „Wat helpt het me, dat ik de machtigste koning ben van de gehele aarde, terwijl hij een beest is, blij als hij op een been kluiven mag, waarvan ik het vlees heb afgesneden? We moeten beide sterven." En de stem van den koning beefde toen hij dat zei en de tranen rolden over zijn rimpelige wangen en in zijn dunne, witte baard, want de koning was oud, heel oud. Slechts met moeite kon hij, leunend op zijn stok, het heiligdom van Odin bereiken.

„Waarom offert ge niet nog een zoon, degeen, die nu de oudste is?" vroegen de priesters. „Dan schenkt Odin u nog tien jaar!"

„Ja, ja, we zullen nog een zoon offeren," antwoordde de koning zuchtend. En hij liet zijn tweede zoon halen, en kleedde hem in prachtig bont en in een purperen mantel en liet een gehele nacht zingen en spelen, en toen de morgenzon bloedrood opging was de prins dood, maar de koning leefde.

Daarna offerde hij ook zijn derde en zijn vierde zoon.

Toen was hij honderd jaar oud geworden en hij kon allang niet meer lopen, hij werd gedragen in zijn stoel, hij kon niet meer eten, want hij had geen enkele tand meer in zijn mond, hij dronk zijn voedsel, hij kon niet meer in het heiligdom van Odin komen, want de buitenlucht was hem te koud, hij wilde niet, dat er iets meer veranderd werd in zijn huis, want elke verandering maakte hem moe en onrustig.

„De koning wordt te oud, het zou beter zijn als hij stierf," fluisterden de mensen. Maar niemand dorst het hardop zeggen, want in den koning was al heel lang alle gevoel gestorven, behalve zijn verlangen, te blijven leven en het goed te hebben. Zo goed als nog mogelijk was. Daarom strafte hij streng iedereen, die zich ooit tegen hem durfde verzetten, zonder te vragen naar recht en billijkheid.

En toen liet hij zijn vijfde zoon offeren, in het heiligdom van Odin, hoewel hijzelf er niet meer heen kon gaan om het te zien. Hij zelf lag in zijn bed in het paleis, maar toen de prins voor het eerste hanengekraai en voor zonsopgang, gestorven was, voelde hij nieuwe krachten stromen door zijn oude aderen en hij lachte.

En weer gingen er tien jaren voorbij en nu was er nog één prins over, die Egon heette. En op de dag, vóór de koning honderd en twintig jaar oud worden zou, werd hij naar de kamer van zijn vader ontboden

Egon was nog een krachtige kerel, zijn ogen waren blauw en sterk en hij had grote handen.

Handen die gemaakt waren om te werken en te vechten en dat zou nodig zijn geweest, want er was veel in het land niet in orde.

Er waren grote benden rovers en dieven, die rondzwierven door het land en leefden van wat anderen hadden verdiend. Ze durfden dat doen, want ze wisten dat de koning zich nergens om bekommerde en